ECLI:NL:HR:2007:BB3427

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
40826L
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 Zesde richtlijn (77/388/EEG)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek voorbelasting advieskosten ter zake van geldvordering ontstaan vóór ondernemerschap

In deze zaak stond centraal of advieskosten die een belastingplichtige maakte om een geldvordering veilig te stellen, welke was ontstaan vóór de aanvang van het ondernemerschap, in aanmerking komen voor aftrek van voorbelasting. De Hoge Raad verwees voorafgaand aan zijn arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor een prejudiciële beslissing over de uitleg van artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn.

Het Hof van Justitie oordeelde dat dergelijke advieskosten niet rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de economische activiteit die de belastingplichtige vanaf het moment van ondernemerschap verricht, en daarom geen recht op aftrek van de btw geven. De Hoge Raad paste deze uitleg toe op het geschil van belanghebbende Investrand B.V., die advieskosten had gemaakt in verband met een geldvordering voortvloeiend uit een aandelenverkoop vóór haar ondernemerschap.

De Hoge Raad concludeerde dat de advieskosten niet in aanmerking komen voor aftrek van voorbelasting omdat zij niet direct verbonden zijn met de economische activiteit van belanghebbende vanaf 1 januari 1993. Tevens wees de Hoge Raad de middelen van cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat advieskosten voor een geldvordering ontstaan vóór ondernemerschap niet aftrekbaar zijn.

Uitspraak

Nr. 40.826L
14 september 2007
whk
gewezen op het beroep in cassatie van Investrand B.V. te Huizen (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2004, nr. P02/06828, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vraag.
1. Ontstaan en loop van het geding
Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 2 december 2005, nr. 40826, BNB 2006/88, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 8 februari 2007, C-345/05, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
"Artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, dient aldus te worden uitgelegd dat de kosten voor adviesdiensten die een belastingplichtige afneemt met het oog op de vaststelling van het bedrag van een schuldvordering die deel uitmaakt van het vermogen van zijn onderneming en betrekking heeft op een aandelenverkoop van vóór het tijdstip waarop hij voor de btw belastingplichtig is geworden, bij gebreke van gegevens die kunnen aantonen dat deze diensten uitsluitend in de door de belastingplichtige verrichte economische activiteit in de zin van deze richtlijn hun oorzaak vinden, niet rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met deze activiteit en bijgevolg geen recht doen ontstaan op aftrek van de daarop drukkende btw."
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dat arrest. De Staatssecretaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
2. Nadere beoordeling van de middelen van cassatie
Uit de hiervoor vermelde verklaring voor recht volgt dat de kosten voor adviesdiensten die belanghebbende heeft gemaakt ter vaststelling van de geldvordering met betrekking tot de door haar overgedragen aandelen in D B.V., niet kunnen worden aangemerkt als kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met haar latere vanaf 1 januari 1993 verrichte economische activiteiten. Ter zake van deze adviesdiensten heeft belanghebbende geen recht op aftrek van de daarvoor in rekening gebrachte omzetbelasting. Uit het hiervoor overwogene volgt dat naast middel I ook middel II faalt.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2007.