ECLI:NL:HR:2006:AU3098
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- L. Monné
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Afvalstoffenheffing en uitvoeringsverbod artikel 93 EG-Verdrag bij milieubelasting
De zaak betreft een cassatieberoep van Streekgewest Westelijk Noord-Brabant tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over de afvalstoffenbelasting ingevolge de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm).
Belanghebbende stelde dat de heffing onrechtmatig was omdat deze onderdeel uitmaakt van steunmaatregelen die niet tijdig bij de Europese Commissie waren aangemeld, waardoor het uitvoeringsverbod van artikel 93, lid 3, EG-Verdrag van toepassing zou zijn. Het Hof oordeelde dat belanghebbende zich niet op dit verbod kon beroepen omdat er geen aantoonbare concurrentievervalsing was, maar deze motivering werd door de Hoge Raad niet gevolgd.
De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarin is vastgesteld dat het uitvoeringsverbod alleen geldt indien er een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de opbrengst van de heffing en de steunmaatregel, wat hier niet het geval is. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat bouwstoffen die milieuhygiënisch zijn gebruikt zonder verdere bewerking wel als afvalstoffen in de zin van de Wbm kunnen worden aangemerkt, ook als daarvoor geen storttarief is betaald.
De uitspraak van het Hof wordt vernietigd behalve het gedeelte over het griffierecht, en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard terwijl het beroep van de Staatssecretaris gegrond wordt verklaard. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het beroep van de Staatssecretaris gegrond, waarbij het Hofs arrest wordt vernietigd behalve het griffierecht.