ECLI:NL:HR:2006:AU3724

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/021HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onverplichtheid tot mediation bij onthouding medewerking wegens emotionele gronden na echtscheiding

De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatie die hij aan de vrouw moest betalen te verminderen of op nihil te stellen. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man hoger beroep instelde. Tijdens het hoger beroep spraken partijen af om onder begeleiding van een mediator hun geschillen op te lossen. Kort daarna trok de vrouw zich definitief terug uit mediation vanwege financiële en vooral emotionele redenen.

Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk omdat duurzame instemming van beide partijen voor mediation ontbrak. De man stelde beroep in cassatie tegen deze beslissing. De Hoge Raad overwoog dat mediation een vrijwillig proces is waarbij partijen te allen tijde hun medewerking kunnen onthouden of beëindigen om hun moverende redenen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat emotionele bezwaren van een partij een rechtens te respecteren reden vormen om mediation niet voort te zetten, ook als partijen eerder hadden afgesproken mediation te proberen. De uitspraak benadrukt het vrijwillige karakter van mediation in civiele geschillen, ook bij partneralimentatie na echtscheiding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat mediation vrijwillig is en niet afdwingbaar als een partij haar medewerking om emotionele redenen onthoudt.

Uitspraak

20 januari 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/021HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.Chr.M. Oomen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 29 juli 2003 ter griffie van de rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de door die rechtbank gewezen vonnissen van 11 augustus 1992 en 25 januari 1994 in te trekken althans in dier voege te wijzigen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 9 september 1992 op nihil wordt gesteld, althans zodanige beschikking te geven als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2004 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 11 november 2004 heeft het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Partijen zijn gewezen echtgenoten. Bij beschikking van 18 februari 2003 heeft het hof de man veroordeeld de in het dictum van zijn beschikking gespecificeerde bedragen periodiek aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
3.2 In dit geding heeft de man, met een beroep op artikel 1:401 lid 4 BW Pro, verzocht deze bijdrage nader vast te stellen op nihil, althans op een lager dan het thans geldende bedrag. De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep hebben partijen verklaard in te zien dat het in hun beider belang is om onder begeleiding van een deskundige mediator tot een oplossing te komen van hun geschillen. Korte tijd nadien heeft de advocaat van de vrouw echter bericht dat de vrouw definitief afziet van inschakeling van een mediator op financiële, maar vooral emotionele gronden.
In zijn thans bestreden beschikking heeft het hof dit standpunt van de vrouw zeer betreurd, maar geoordeeld dat voor een succesvolle verwijzing naar mediation de duurzame instemming van beide partijen is vereist, die thans is komen te ontbreken. In het dictum van zijn beschikking heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
3.3 Het tegen deze beschikking aangevoerde middel betoogt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, partijen niet heeft verwezen naar mediation, terwijl zij dit wel waren overeengekomen en de zaak zich daartoe bij uitstek leent. Volgens de op het middel gegeven toelichting pleegt de vrouw contractbreuk en zijn haar emoties in dat verband geen rechtens te respecteren argument.
3.4 Het gaat hier om geschillen tussen twee particulieren, die in de loop van een geding hebben afgesproken om te pogen een minnelijke regeling langs de weg van mediation te bereiken. Gelet op de aard van het middel van mediation staat het beide partijen te allen tijde vrij hun medewerking daaraan alsnog te onthouden, dan wel die om hen moverende redenen te beëindigen. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht van het middel stuit hierop af.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 januari 2006.