ECLI:NL:HR:2006:AU4120
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vernietigbaarheid rekening-courantovereenkomst bij ontbreken kredietfaciliteit en aansprakelijkheid bank
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een rekening-courantovereenkomst zonder kredietfaciliteit vernietigbaar is op grond van art. 1:88 BW Pro wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenoot. De Bank had een vordering ingesteld tegen eiseres, haar echtgenoot, en andere betrokkenen wegens een debetsaldo ontstaan door ongedekte cheques die via de rekening-courant waren aangeboden en voorlopig gecrediteerd.
De rechtbank wees de vordering van de Bank toe en verwierp het verweer van vernietigbaarheid. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de overeenkomst geen kredietfaciliteit bevatte en niet strekte tot het aangaan van hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 1:88 BW Pro. De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de eis van toestemming van de echtgenoot niet van toepassing is indien de overeenkomst niet gericht is op hoofdelijke aansprakelijkheid.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres en haar echtgenoot en veroordeelde eiseres in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de rekening-courantovereenkomst geldig was ondanks het ontbreken van toestemming van de echtgenoot, omdat de overeenkomst niet strekte tot het aangaan van hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 1:88 BW Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rekening-courantovereenkomst zonder kredietfaciliteit niet vernietigbaar is wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenoot.