ECLI:NL:HR:2006:AU5275

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/340HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en betaling van huwelijksgift op grond van Iraans recht

In deze zaak staat de uitleg en betaling van een huwelijksgift centraal, vastgelegd in een huwelijksakte onder Iraans recht tussen partijen. De vrouw vorderde betaling van een bedrag van ƒ 33.000, terwijl de man betwistte dat hij meer dan ƒ 1.236 verschuldigd was.

De rechtbank veroordeelde de man tot betaling van ƒ 1.236, vermeerderd met wettelijke rente. De vrouw ging in hoger beroep, waarna het hof het vonnis vernietigde en de man veroordeelde tot betaling van € 14.413 plus rente, het alsnog verschuldigde deel van de huwelijksgift.

De man stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, waarbij werd vastgesteld dat de klachten niet tot cassatie konden leiden. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de man wordt veroordeeld tot betaling van het alsnog verschuldigde deel van de huwelijksgift.

Uitspraak

10 februari 2006
Eerste Kamer
Nr. C04/340HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 26 mei 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de man te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van ƒ 33.000,-- dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De man heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vorderingen, althans deze te ontzeggen, althans te bepalen dat de man aan de vrouw zal betalen de overeengekomen 1.000.000,-- reaal dan wel de actuele tegenwaarde van dat bedrag, te weten ƒ 1.236,--.
Na ingevolge een tussenvonnis van 26 september 2000 op 2 november 2000 en 2 februari 2001 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 maart 2001 de man veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van ƒ 1.236,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 1994 tot de dag der algehele voldoening.
Tegen dit eindvonnis van de rechtbank heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 5 november 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld aan de vrouw ter zake van het alsnog verschuldigd deel van de huwelijksgift te betalen de som van € 14.413,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 1994.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 februari 2006.