Met een op 28 mei 2002 ter griffie van de rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en te gelasten dat partijen met elkaar zullen overgaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande beperkte huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van een notaris en onzijdige personen als volgens de wet.
De man heeft zich niet verweerd tegen het verzoek van de vrouw om echtscheiding uit te spreken, doch met betrekking tot de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap zelfstandig de rechtbank primair verzocht te bepalen dat de echtelijke woning zal worden getaxeerd, dat de boedelnotaris zal vaststellen wat de overwaarde daarvan is en dat de vrouw binnen vier maanden na de taxatiedatum de helft van de overwaarde van de woning aan de man zal overmaken op straffe van een dwangsom. Subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 133.807,65 (ƒ 294.873,--) aan de man zal betalen dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en meer subsidiair een zodanige verdeling en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vrouw heeft de zelfstandige verzoeken van de man bestreden en haar verzoek tot scheiding en deling van de (beperkte) huwelijksgoederengemeenschap, voorzover nodig, wegens gebrek aan belang ingetrokken.
De rechtbank heeft bij beschikking van 30 oktober 2002 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij tussenbeschikking van 4 december 2002 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen en bij tussenbeschikking van 5 februari 2003 een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en twee vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 25 juni 2003 - ter vaststelling van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden - bepaald dat de vrouw de helft van de overwaarde tot een bedrag van € 126.509,78 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man zal betalen, dat de hypothecaire geldlening van 22 december 1998 met Delta Lloyd Levensverzekering N.V. van ƒ 180.000,-- ( 81.680,44) op naam de vrouw zal worden gesteld, en dat de afkoopwaarde per februari 2002 van de levensverzekeringen bij de hiervoor genoemde verzekeringsmaatschappij met polisnummers [001] en [002] gelijkelijk onder partijen wordt verdeeld, deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze vier beschikkingen heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenbeschikking van 20 januari 2004 heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomst van de tussen partijen overeengekomen mediation.
Nadat de mediation niet had geleid tot een oplossing van het geschil tussen partijen heeft het hof bij eindbeschikking van 12 oktober 2004 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van de beschikkingen van de rechtbank te Almelo van 30 oktober 2002 en 5 februari 2003, de beschikking van die rechtbank van 4 december 2002 vernietigd, de beschikking van die rechtbank van 25 juni 2003 bekrachtigd, behoudens voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de vrouw aan de man € 126.509,78 dient te betalen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat de vrouw aan de man € 111.992,16 dient te betalen, en het meer of anders verzochte afgewezen.
De eindbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.