ECLI:NL:HR:2006:AU6095
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en verrekening vermogensgroei op peildatum bij Amsterdams verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden
In deze zaak tussen ex-echtelieden staat de toepassing van het Amsterdams verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden centraal, waarbij de verrekening van vermogensgroei op een door partijen aanvaarde peildatum (26 januari 1996) wordt vastgesteld. De discussie spitst zich toe op de waardering van de afkoopwaarde van een lijfrenteverzekering die aan de zijde van de man is gerealiseerd, en de verschuldigdheid van de belasting over die afkoopwaarde.
De rechtbank had de netto afkoopwaarde van de verzekering vastgesteld op ƒ 123.878,11 na aftrek van een latente belastingclaim berekend tegen 60%. Het hof corrigeerde dit door de contante waarde van de belastingclaim te berekenen met een rekenrente van 4%, wat leidde tot een hoger te verrekenen bedrag. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld door niet uit te gaan van de peildatum als moment van belastingheffing, waardoor de berekening niet verenigbaar is met het uitgangspunt van de peildatum.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het eiser veroordeelde tot betaling van € 56.636,04 en stelt zelf vast dat eiser aan verweerster € 34.150,67 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 januari 1996. De kosten van het geding in cassatie worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Eiser moet aan verweerster € 34.150,67 betalen met wettelijke rente vanaf 26 januari 1996.