ECLI:NL:HR:2006:AU6096

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/006HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verdeling nalatenschap en verwerpt cassatieberoep

Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen erfgenamen over de verdeling van de nalatenschap van twee overledenen. Na meerdere procedures bij de rechtbank en het gerechtshof, waarbij deskundigenonderzoeken werden bevolen en uitgevoerd, werd de waardering van onroerende zaken vastgesteld en de verdeling van de nalatenschap geregeld.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en procedures, waarin het hof onder meer bepaalde dat de waarde van de onroerende zaken € 2.026.000,-- bedroeg en dat de kosten van de deskundigen gelijkelijk tussen partijen moesten worden gedragen. Het hof verklaarde enkele vorderingen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan processueel belang.

In het cassatieberoep, zowel in het principale als in het incidentele beroep, concludeerden partijen tot verwerping van elkaars beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en wijst het beroep af. De kosten van het cassatiegeding worden aan de eisers in cassatie opgelegd.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen omtrent de nalatenschapsverdeling en onderstreept de zorgvuldigheid van het deskundigenonderzoek en de procesgang in de lagere instanties.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de eerdere verdeling en waardering van de nalatenschap.

Uitspraak

10 februari 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/006HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiser 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
incidenteel verweerders,
advocaat: mr. W.G.H. van de Wetering,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
6. [Verweerder 6],
wonende te [woonplaats],
7. [Verweerster 7],
wonende te [woonplaats],
8. [Verweerder 8],
wonende te [woonplaats],
9. [Verweerster 9],
wonende te [woonplaats],
10. [Verweerster 10],
wonende te [woonplaats], Engeland,
VERWEERDERS in cassatie,
incidenteel eisers,
advocaat: mr. M. Ynzonides.
1. Het verloop van het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - en onder anderen verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 3 juni 1994, nr. 15.358, NJ 1995, 562. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het beroep verworpen.
Na een op 1 december 1994 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank te Rotterdam bij tussenvonnis van 12 juni 1995 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht en pleidooi heeft de rechtbank bij eindvonnis van 27 januari 1997 de door het overlijden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tussen partijen ontstane gemeenschap verdeeld zoals in rov. 4.12 van dit vonnis is weergegeven, een notaris en drie onzijdige personen benoemd, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 11 februari 1991, 12 juni 1995 en 27 januari 1997 hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en daarbij hun eis gewijzigd.
Bij tussenarrest van 19 november 1998 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] c.s. en bij tussenarrest van 30 maart 2000 [verweerder] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het hof bij tussenarrest van 30 januari 2002 het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 27 januari 1997 vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de waardering van de onroerende zaken die behoren tot de onverdeelde boedel van de erflaters en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door partijen aangaande een nieuw op te dragen deskundigenonderzoek. Bij tussenarrest van 5 maart 2003 heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast, drie deskundigen benoemd en een aantal vragen geformuleerd.
Na deskundigenbericht heeft het hof bij eindarrest van 4 augustus 2004 [verweerder] c.s. niet-ontvankelijk verklaard terzake de punten 1, 2, 4 en 5 wegens het ontbreken van een processueel belang, zoals overwogen in rov. 3 van het tussenarrest van 27 maart 2002, de waarde van de in rov. 1 van het tussenarrest van 5 maart 2003 vermelde onroerende zaken bepaald op € 2.026.000,--, bepaald dat de kosten van de deskundigen bij helfte tussen de partijen moeten worden gedragen en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De arresten van 19 november 1998, 30 maart 2000, 27 maart 2002, 5 maart 2003 en 4 augustus 2004 van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de vijf vermelde arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] c.s. mede door mr. M. Koedoot, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt in zowel het principale als in het incidentele beroep tot verwerping daarvan.
3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep en het middel in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 februari 2006.