ECLI:NL:HR:2006:AU7936

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/341HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding bodemverontreiniging tegen gemeente Maassluis

Eisers, appartementseigenaren, vorderden van de gemeente Maassluis een schadevergoeding van ƒ 92.914,-- wegens bodemverontreiniging veroorzaakt door vervuild havenslib. De rechtbank Rotterdam wees de vordering af. In hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Gravenhage werd het vonnis deels vernietigd en deels bekrachtigd. Zowel eisers als de gemeente stelden cassatieberoep in tegen de tussentijdse en eindarrest van het hof.

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van eisers en concludeerde tot verwerping van het beroep. De klachten van eisers konden geen cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering, mede gelet op artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere beslissingen en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het arrest in het openbaar werd uitgesproken. Hiermee is de vordering tot schadevergoeding definitief afgewezen en blijft de gemeente Maassluis niet aansprakelijk voor de door eisers geleden schade door bodemverontreiniging.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding tegen de gemeente Maassluis wordt afgewezen.

Uitspraak

3 maart 2006
Eerste Kamer
Nr. C04/341HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1], en
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE GEMEENTE MAASSLUIS,
gevestigd te Maassluis,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 2 februari 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en, voor zover in cassatie van belang, gevorderd de Gemeente te veroordelen aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 92.914,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De Gemeente heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 oktober 2000 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Gemeente heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na een tussenarrest van 12 december 2002 heeft het hof bij eindarrest van 29 april 2004 het vonnis waarvan beroep deels vernietigd en deels bekrachtigd.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 22 december 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak begroot op € 1.156,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 maart 2006.