ECLI:NL:HR:2006:AU7936
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering schadevergoeding bodemverontreiniging tegen gemeente Maassluis
Eisers, appartementseigenaren, vorderden van de gemeente Maassluis een schadevergoeding van ƒ 92.914,-- wegens bodemverontreiniging veroorzaakt door vervuild havenslib. De rechtbank Rotterdam wees de vordering af. In hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Gravenhage werd het vonnis deels vernietigd en deels bekrachtigd. Zowel eisers als de gemeente stelden cassatieberoep in tegen de tussentijdse en eindarrest van het hof.
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van eisers en concludeerde tot verwerping van het beroep. De klachten van eisers konden geen cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering, mede gelet op artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere beslissingen en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het arrest in het openbaar werd uitgesproken. Hiermee is de vordering tot schadevergoeding definitief afgewezen en blijft de gemeente Maassluis niet aansprakelijk voor de door eisers geleden schade door bodemverontreiniging.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding tegen de gemeente Maassluis wordt afgewezen.