ECLI:NL:HR:2006:AU8923
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing art. 57 Sr bij omzetting buitenlandse straf onder WOTS
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage die verlof verleende tot tenuitvoerlegging van een Engelse gevangenisstraf in Nederland. De veroordeelde was in Engeland veroordeeld voor invoer van verdovende middelen, waarbij verschillende misdrijven waren vastgesteld volgens Engels recht.
De rechtbank had bij de omzetting van de buitenlandse straf naar het Nederlandse recht toepassing gegeven aan artikel 57 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waardoor de feiten als afzonderlijke misdrijven werden beschouwd. De veroordeelde stelde dat deze toepassing onjuist was bij strafoplegging ex artikel 31 van Pro de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de toepassing van artikel 57 Sr Pro bij strafoplegging ex art. 31 WOTS Pro geoorloofd is. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden en geen aanleiding gaven tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde hiermee de rechtspraak dat bij omzetting van buitenlandse strafvonnissen de Nederlandse strafwetgeving, inclusief artikel 57 Sr Pro, correct toegepast moet worden om de straf passend te maken binnen het Nederlandse strafrechtssysteem.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de omzetting van de Engelse gevangenisstraf met toepassing van art. 57 Sr.