ECLI:NL:HR:2006:AU9154
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Nietigheid betekening appèldagvaarding wegens onjuiste adressering ondanks feitelijk verblijf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld wegens illegaal verblijf als ongewenst vreemdeling. De appèldagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep werd op 18 februari 2003 aan de griffier betekend, omdat geen woon- of verblijfplaats van verdachte in Nederland bekend was volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Uit een GBA-uittreksel bleek dat verdachte sinds 11 januari 1999 was vertrokken naar een onbekend land en was uitgeschreven van zijn adres in Friesland.
Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg verklaarde verdachte echter dat hij feitelijk nog woonde op het adres in Friesland, ondanks de uitschrijving vanwege een ongewenstverklaring. Het hof oordeelde dat het adres als achterhaald moest worden beschouwd en verklaarde de betekening van de dagvaarding rechtsgeldig. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, omdat niet is gebleken dat er een poging is gedaan de dagvaarding op het door verdachte opgegeven adres uit te reiken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart de appèldagvaarding nietig om doelmatigheidsredenen. Hiermee wordt het vonnis in hoger beroep niet in stand gehouden vanwege de ongeldige betekening van de dagvaarding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de appèldagvaarding in hoger beroep nietig wegens ongeldige betekening.