ECLI:NL:PHR:2006:AU9154
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van appèldagvaarding wegens ongeldige betekening aan verdachte
De verdachte werd bij verstek veroordeeld wegens verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland. De appèldagvaarding voor het hoger beroep werd uitgereikt aan de griffier omdat geen woon- of verblijfplaats van verdachte bekend was. Uit een GBA-uittreksel bleek dat verdachte sinds 1999 naar een onbekend land was vertrokken, terwijl verdachte bij de eerste aanleg zitting verklaarde feitelijk te wonen op een adres waar hij door de politie was uitgeschreven.
Het hof oordeelde dat het adres als achterhaald moest worden beschouwd en verklaarde de betekening van de dagvaarding rechtsgeldig. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel niet zonder meer kon maken, omdat niet was gebleken dat er was geprobeerd de dagvaarding aan het door verdachte opgegeven adres uit te reiken.
De Hoge Raad stelde dat de betekening van de dagvaarding eerst geldig is indien deze is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte, tenzij die woonplaats achterhaald is en dat moet blijken uit concrete pogingen en gegevens. Omdat het hof dit niet had gemotiveerd en de stukken geen bewijs bevatten dat het adres was achterhaald, verklaarde de Hoge Raad de appèldagvaarding nietig en vernietigde het bestreden arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de appèldagvaarding nietig wegens ongeldige betekening aan het door verdachte opgegeven adres.