ECLI:NL:HR:2006:AV4010
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van verdachte in cassatieberoep wegens overschrijding termijn
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 11 april 2006 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep. Het cassatieberoep was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 27 december 2004. Verdachte was op 13 december 2004 bij het hof vertegenwoordigd door een uitdrukkelijk gemachtigde advocaat.
Volgens artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt een termijn van veertien dagen voor het instellen van een cassatieberoep wanneer de verdachte zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde raadsman. Het beroep in cassatie werd echter pas op 11 januari 2005 ingesteld, wat buiten deze termijn valt.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk moest verklaren. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Hiermee werd het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens overschrijding van de wettelijke termijn.