ECLI:NL:HR:2006:AV4122
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad uitspraak over gebruik BVD-materiaal in strafproces en deelneming criminele organisatie
Deze zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een terrorisme-gerelateerde strafzaak. De Hoge Raad behandelt de verhouding tussen onderzoek door de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en strafrechtelijk onderzoek, met name de mate van rechterlijke controle op BVD-onderzoek en de toelaatbaarheid van BVD-materiaal als bewijs.
De Hoge Raad bevestigt dat onder de oude Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV 1987) en de latere WIV 2002 geen bezwaar bestaat tegen het gebruik van door de BVD/AIVD verzameld materiaal in strafprocessen, mits voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. De rechter moet met behoedzaamheid beoordelen of het materiaal, gezien de beperkte toetsbaarheid, als bewijs kan worden gebruikt. Onregelmatigheden in het BVD-onderzoek leiden niet automatisch tot uitsluiting van bewijs, tenzij sprake is van grove schendingen die het recht op een fair trial schenden.
De Hoge Raad wijst op de geheimhoudingsplicht van de BVD/AIVD, waardoor verzoeken tot het horen van verantwoordelijken en het overleggen van bevelen werden afgewezen. Dit wordt gerechtvaardigd door het belang van staatsveiligheid en het parlementaire toezicht op de diensten. De Hoge Raad bevestigt dat BVD-materiaal als startinformatie en als bewijs, zoals taps, toelaatbaar is, mits er een wettelijke basis is, zoals die voor taps bestond.
Ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie oordeelt de Hoge Raad dat het voldoende is dat de verdachte in algemene zin weet dat de organisatie tot doel heeft misdrijven te plegen. De verdachte hoeft niet van elk concreet misdrijf op de hoogte te zijn. De feiten betreffen deelname aan een organisatie die zich bezighield met vervalsing en gebruik van valse documenten en voorbereiding van terroristische aanslagen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de verdachte schuldig is aan deelneming aan een criminele organisatie met het oogmerk misdrijven te plegen, en dat het gebruik van BVD-materiaal in het bewijsrechtmatig en verenigbaar met het recht op een eerlijk proces is.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; gebruik BVD-materiaal is toelaatbaar; verdachte veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie.