ECLI:NL:HR:2006:AV5027
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling grondwaterbelasting bij onderbroken grondwaterwinning voor bouwprojecten
Belanghebbende, een onderneming die infrastructurele bouwwerken realiseert, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor grondwaterbelasting over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2002. De Inspecteur stelde dat de onttrekking van grondwater langer dan vier achtereenvolgende maanden had geduurd, waardoor geen vrijstelling van toepassing was. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de naheffingsaanslag verminderd omdat het Hof oordeelde dat de onttrekking door een onderbreking in twee afzonderlijke perioden viel, die elk korter dan vier maanden waren, waardoor de vrijstelling wel van toepassing was.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad onderzocht of de totale duur van het project of de afzonderlijke onttrekkingsperioden bepalend zijn voor de vrijstelling. De Hoge Raad stelde vast dat de wetstekst en de wetsgeschiedenis geen steun bieden voor het standpunt dat slechts eenmaal per bouwproject onttrekking kan plaatsvinden. Bij een onderbreking en hervatting van de grondwaterwinning zijn er meerdere onttrekkingen in de zin van de wet.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de vrijstelling van grondwaterbelasting per onttrekking moet worden beoordeeld, ook als er onderbrekingen zijn binnen een bouwproject.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd.