ECLI:NL:PHR:2011:BP6607
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling grondwaterbelasting voor betonmortelcentrale met beperkte pompcapaciteit
Belanghebbende exploiteert een betonmortelcentrale en onttrekt grondwater met een pomp die een theoretische capaciteit van 17,1 m³ per uur heeft, maar feitelijk maximaal 8,5 m³ per uur kan onttrekken door de integratie in de installatie. De vraag was of de vrijstelling van grondwaterbelasting voor 'kleine onttrekkers' van toepassing is, waarbij de pompcapaciteit van de inrichting niet meer dan 10 m³ per uur mag bedragen.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de pomp, betonmortelmenger en leidingen samen één inrichting vormen en dat de pompcapaciteit van deze inrichting feitelijk 8,5 m³ per uur bedraagt, waardoor de vrijstelling geldt. De Minister stelde cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat alleen de pomp als inrichting moet worden gezien en dat de pompcapaciteit 17,1 m³ per uur is.
De Hoge Raad concludeert dat het begrip 'inrichting' ruim moet worden uitgelegd en dat het gehele samenstel als één inrichting moet worden beschouwd. De pompcapaciteit moet worden bepaald aan de hand van het feitelijk maximale wateropbrengend vermogen van de inrichting als geheel, niet alleen van de pomp. De vrijstelling is daarom terecht toegekend aan belanghebbende.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de grondwaterbelasting en de interpretatie van 'inrichting' en 'pompcapaciteit' in de context van geïntegreerde installaties, waarbij de feitelijke capaciteit van de gehele inrichting bepalend is voor belastingvrijstellingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Minister ongegrond en bevestigt de vrijstelling van grondwaterbelasting voor belanghebbende.