ECLI:NL:HR:2006:AV6036

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/130HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over misgelopen provisie bij management buy-out in softwarebedrijf

De zaak betreft een geschil tussen aandeelhouders van een software-consultancybedrijf over een door één van hen bij een management buy-out beweerdelijk misgelopen provisie voor bijstand bij onderhandelingen met overnamekandidaten.

Eisers, waaronder een vennootschap naar Brits recht en enkele natuurlijke personen, vorderden betaling van een hoofdsom van ƒ 450.000,- plus incassokosten en wettelijke rente van verweerders, die zij bij de rechtbank te Breda dagvaardden. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eisers in de proceskosten. Het gerechtshof bevestigde dit oordeel en veroordeelde eisers eveneens in de kosten.

Eisers stelden daarop beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Eisers werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op nihil.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt afwijzing van de vorderingen.

Uitspraak

21 april 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/130HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. de vennootschap naar Brits recht EFGH CORPORATE FINANCE LIMITED,
gevestigd te Edinburgh, Schotland,,
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats], Schotland,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.D. Boetje,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: EFGH c.s. - hebben bij exploot van 22 juni 1999 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, [verweerder] c.s. te veroordelen, des dat de een betalende de ander is gekweten, aan EFGH c.s. te betalen de hoofdsom van ƒ 450.000,--, de buitengerechtelijke incassokosten van ƒ 19.160,-- en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 13 mei tot 11 juni 1999 van ƒ 2.216,70, hierna p.m., derhalve in totaal een bedrag van ƒ 486.376,70, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 11 juni 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] c.s. hebben de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 maart 2000 EFGH c.s. tot bewijslevering toegelaten, bij tussenvonnis van 28 augustus 2001 [verweerder] c.s. in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken over de overnamesom, en bij tussenvonnissen van 26 maart 2002 en 22 oktober 2002 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie respectievelijk voor het nemen van een akte tot het in het geding brengen van stukken door [verweerder] c.s.
Bij eindvonnis van 4 juni 2003 heeft de rechtbank de vorderingen van EFGH c.s. afgewezen en EFGH c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerder] c.s. veroordeeld.
Tegen het eindvonnis hebben EFGH c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 21 december 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank te Breda van 4 juni 2003 bekrachtigd en EFGH c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben EFGH c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor EFGH c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt EFGH c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, P.C. Kop en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 april 2006.