ECLI:NL:HR:2006:AW0100
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling conservatoir derdenbeslag op onroerende zaak aan derde toebehorend
In deze zaak stond de vraag centraal of conservatoir derdenbeslag kan worden gelegd op onroerende zaken die toebehoren aan een derde, in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Klaagster stelde dat het beslag onrechtmatig was omdat derdenbeslag op onroerende zaken niet mogelijk zou zijn en dat niet aan de cumulatieve vereisten van artikel 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering was voldaan.
De rechtbank had geoordeeld dat het beslag ten laste van klaagster was gelegd en geen derdenbeslag betrof, omdat het beslag ter verzekering van een vordering op een andere betrokkene was gelegd maar niet mede ten laste van die betrokkene. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd en gewezen op de wetsgeschiedenis van artikel 94a lid 3 en 4 Sv, waarin een verruiming van de beslagmogelijkheden is beoogd, waaronder beslag op onroerende zaken van derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben die afkomstig zijn van een misdrijf.
De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting bevat en niet onbegrijpelijk is. Het beroep van klaagster wordt verworpen omdat geen van de middelen tot cassatie kan leiden en er geen reden is om de beschikking ambtshalve te vernietigen.
De uitspraak bevestigt de mogelijkheid van conservatoir derdenbeslag op onroerende zaken en verduidelijkt de toepassing van artikel 94a Sv in het kader van ontnemingsprocedures.
Uitkomst: Het beroep van klaagster tegen het conservatoir beslag op haar onroerende zaak wordt verworpen.