ECLI:NL:HR:2006:AW2299
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag vennootschapsbelasting wegens verliesverrekening en belang van derde
Belanghebbende, een vennootschap die haar onderneming in 1993 staakte, kreeg voor 2001 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar handhaafde de inspecteur deze aanslag, maar het hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 20a, lid 2, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met name of het onverrekende verlies van belanghebbende nog verrekenbaar was gezien de wijziging in het aandeelhouderschap. Het hof oordeelde dat het begrip 'uiteindelijk belang' betrekking had op de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het belang in de belastingplichtige heeft, waardoor de uitzondering niet van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de uitzondering van artikel 20a, lid 2, letter b, van de Wet ook geldt bij uitbreiding van het belang van een verbonden lichaam, ongeacht of een uiteindelijke aandeelhouder een belang van ten minste een derde heeft. Omdat aan deze voorwaarden was voldaan, was artikel 20a, lid 1, niet van toepassing en moest de aanslag worden verminderd tot nihil.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en het besluit van de inspecteur, legde de aanslag nihil vast en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting is verminderd tot nihil en de eerdere uitspraken zijn vernietigd.