ECLI:NL:PHR:2006:AW2299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking verliesverrekening bij wijziging uiteindelijke belang volgens artikel 20a Wet Vpb 1969
De zaak betreft de toepassing van artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat verliesverrekening beperkt indien het uiteindelijke belang in een belastingplichtige vennootschap in belangrijke mate wijzigt. De belanghebbende, BV X, had haar onderneming gestaakt en wilde verliezen verrekenen met latere winsten. Het Hof Leeuwarden oordeelde dat verliesverrekening uitgesloten was omdat het uiteindelijke belang van natuurlijke personen C en D als middellijke aandeelhouders in 1996 significant was gewijzigd ten opzichte van 1984.
De belanghebbende stelde in cassatie dat de uitzondering in lid 2, letter b, van artikel 20a ook van toepassing moest zijn omdat de hoogste rechtspersoon in de concernstructuur reeds een belang van meer dan een derde had. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'uiteindelijke belang' materieel moet worden opgevat en dat doorgewerkt moet worden tot de natuurlijke personen die het belang bezitten, tenzij sprake is van een rechtspersoon zonder leden zoals een stichting.
De Hoge Raad verwierp het standpunt van de belanghebbende dat het belang van natuurlijke personen in de keten niet relevant zou zijn en bevestigde dat verliesverrekening wordt uitgesloten bij een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang van natuurlijke personen. Ook het samenvoegen van belangen van broer en zus werd niet toegestaan. De conclusie was dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard en verliesverrekening wordt uitgesloten wegens belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang van natuurlijke personen.