ECLI:NL:HR:2006:AX9176

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01085/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 510 SvArt. 13 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing ander gerecht voor vervolging wegens vermeende wederrechtelijke vrijheidsberoving door officier van justitie

Op 22 november 2004 werd aangifte gedaan tegen een officier van justitie te Amsterdam wegens vermeende wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd op 15 november 2004. De hoofdofficier van justitie te Amsterdam besloot niet tot vervolging over te gaan en weigerde een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen. Namens de aangever werd vervolgens op 10 januari 2005 beklag ingediend bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Het hof wees het beklag op 22 februari 2006 toe en beval het Openbaar Ministerie om alsnog een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad. De hoofdofficier van justitie richtte zich vervolgens tot de Hoge Raad met het verzoek een ander gerecht aan te wijzen voor vervolging en berechting.

De Procureur-Generaal adviseerde tot toewijzing van het verzoek. De Hoge Raad stelde vast dat het verzoek vatbaar was voor toewijzing op grond van art. 510 Sv Pro en wees de Rechtbank te 's-Gravenhage aan als gerecht waar de vervolging en berechting zullen plaatsvinden indien het Openbaar Ministerie dit nodig acht.

De beschikking werd gegeven door vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in aanwezigheid van griffier S.P. Bakker, uitgesproken op 29 augustus 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de Rechtbank te 's-Gravenhage aan voor vervolging en berechting van de officier van justitie.

Uitspraak

29 augustus 2006
Strafkamer
nr. 01085/06 B
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie bij het Arrondissementsparket te Amsterdam van 14 april 2006 tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in art. 510, eerste lid, Sv in de zaak betreffende:
[Officier van Justitie]
1. Het verzoek
De Hoofdofficier van Justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek op de voet van art. 510 Sv Pro een Rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkene.
2. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.
3. Beoordeling van het verzoek
3.1. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt dat:
a. op 22 november 2004 tegen de betrokkene namens [A] aangifte is gedaan ter zake van wederrechtelijke vrijheidsberoving, welk feit door de betrokkene zou zijn gepleegd, handelend in de uitoefening van zijn functie als Officier van Justitie te Amsterdam, op 15 november 2004 tussen 12.08 en 16.30 uur;
b. de Hoofdofficier van Justitie bij brief van 24 december 2004 aan de advocaat van [A] te kennen heeft gegeven niet tot vervolging over te gaan en geen verzoekschrift als bedoeld in art. 510 Sv Pro in te zullen dienen, omdat [A] niet wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd is geweest en er geen grond is voor vervolging en berechting;
c. namens [A] op 10 januari 2005 beklag als bedoeld in art. 13 Sv Pro is gedaan bij het Gerechtshof te Amsterdam;
d. het Hof het beklag op 22 februari 2006 heeft toegewezen en het Openbaar Ministerie heeft bevolen om een verzoekschrift als bedoeld in art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad.
3.2. Het verzoek is, gelet op art. 510 Sv Pro, vatbaar voor toewijzing.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de Rechtbank te 's-Gravenhage aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaats hebben.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2006.