ECLI:NL:HR:2006:AX9176
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing ander gerecht voor vervolging wegens vermeende wederrechtelijke vrijheidsberoving door officier van justitie
Op 22 november 2004 werd aangifte gedaan tegen een officier van justitie te Amsterdam wegens vermeende wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd op 15 november 2004. De hoofdofficier van justitie te Amsterdam besloot niet tot vervolging over te gaan en weigerde een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen. Namens de aangever werd vervolgens op 10 januari 2005 beklag ingediend bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Het hof wees het beklag op 22 februari 2006 toe en beval het Openbaar Ministerie om alsnog een verzoekschrift ex art. 510 Sv Pro in te dienen bij de Hoge Raad. De hoofdofficier van justitie richtte zich vervolgens tot de Hoge Raad met het verzoek een ander gerecht aan te wijzen voor vervolging en berechting.
De Procureur-Generaal adviseerde tot toewijzing van het verzoek. De Hoge Raad stelde vast dat het verzoek vatbaar was voor toewijzing op grond van art. 510 Sv Pro en wees de Rechtbank te 's-Gravenhage aan als gerecht waar de vervolging en berechting zullen plaatsvinden indien het Openbaar Ministerie dit nodig acht.
De beschikking werd gegeven door vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in aanwezigheid van griffier S.P. Bakker, uitgesproken op 29 augustus 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de Rechtbank te 's-Gravenhage aan voor vervolging en berechting van de officier van justitie.