ECLI:NL:HR:2006:AY6202
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Weigering vervangende toestemming tot erkenning minderjarig kind door biologische vader
De zaak betreft een geschil tussen de moeder van een minderjarig kind en de biologische vader over het verzoek van de vader om vervangende toestemming tot erkenning van het kind ex artikel 1:204 lid 3 BW Pro. De vader, verblijvende in een penitentiaire inrichting, verzocht de rechtbank Breda om deze toestemming te verlenen. De moeder verzette zich tegen het verzoek. De rechtbank benoemde een bijzonder curator voor het kind en verleende uiteindelijk de vervangende toestemming aan de vader.
De moeder ging in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de beschikking van de rechtbank vernietigde en het verzoek van de vader afwees. De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen, waarmee de afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning.