ECLI:NL:PHR:2006:AY6202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering vervangende toestemming erkenning kind wegens belangenafweging en angst moeder
De zaak betreft een geschil tussen de moeder en de biologische vader van een minderjarig kind over vervangende toestemming tot erkenning van het kind. De moeder oefent het gezag uit en weigert medewerking aan erkenning door de vader. Het hof heeft het verzoek van de vader tot vervangende toestemming afgewezen, waarbij het niet alleen de huidige situatie, maar ook de toekomstige situatie heeft meegewogen.
Het hof stelde vast dat de moeder grote angst heeft voor de vader, mede door een aangifte tegen hem en diens onherroepelijke veroordeling tot een jarenlange gevangenisstraf. De vader zal naar verwachting binnen ongeveer zes maanden vrijkomen, wat de angst van de moeder zal vergroten. De moeder is op advies van de politie verhuisd naar een geheim adres. Het hof concludeerde dat erkenning door de vader kan leiden tot verstoring van de ongestoorde verhouding tussen moeder en kind en de ontwikkeling van het kind kan belemmeren.
De vader kwam in cassatie tegen het oordeel van het hof, stellende dat erkenning geen wezenlijke wijziging in zijn rechten met zich meebrengt. De Hoge Raad verwierp dit verweer, stellende dat erkenning de juridische positie van de vader als ouder versterkt, met name met betrekking tot omgangs- en informatierechten. Ook het betoog dat de moeder zich niet kan beklagen over haar angst werd verworpen, omdat het hof deze angst als vaststaand heeft aangenomen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het belang van de moeder en het kind zwaarder weegt dan dat van de vader, en dat de vervangende toestemming tot erkenning moet worden geweigerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat vervangende toestemming tot erkenning wordt geweigerd vanwege de belangen van moeder en kind.