ECLI:NL:HR:2006:AY8857
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van behulpzaam zijn bij verblijf van vreemdelingen door vervoer naar werkplek
De Hoge Raad heeft op 26 september 2006 het cassatieberoep van verdachte verworpen in een zaak waarin hij werd verdacht van het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijf van vreemdelingen in Nederland door hen te vervoeren naar werkplekken.
De zaak betrof het vervoer van twee vrouwen die als prostituee werkzaam waren, waarbij verdachte telkens wist dat hun verblijf in Nederland wederrechtelijk was. De verdediging voerde aan dat incidenteel vervoer naar een werkplek niet valt onder het begrip 'behulpzaam zijn bij verblijf' zoals bedoeld in art. 197a Sr, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd en dat het bevorderen of vergemakkelijken van het verblijf in Nederland ook het vervoer omvat.
De Hoge Raad bevestigde dat het bestanddeel 'behulpzaam bij' overeenkomstig art. 48 Sr Pro moet worden geïnterpreteerd en dat elk zich ophouden in Nederland onder het begrip verblijf valt. De bewezenverklaring en bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van slachtoffers en getuigen, waren voldoende om het ten laste gelegde feit te bewijzen.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat de motivering van het hof, ondanks het ontbreken van een expliciete motivering over de rechtsvraag, niet tot vernietiging leidde. Hiermee werd het arrest van het Gerechtshof Arnhem bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijf wordt bevestigd.