ECLI:NL:HR:2006:AY9575
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen invoer cocaïne via luchthaven Schiphol
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne via luchthaven Schiphol. Verdachte werkte als bagagemedewerker en had zich schuldig gemaakt aan het onderscheppen van koffers met cocaïne en het buiten het beschermde gebied brengen daarvan.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van verdachte, verklaringen van medeverdachten, tapgesprekken, dienstroosters, pasgebruikregistraties en inbeslaggenomen documenten. Verdachte had meerdere pogingen gedaan om de koffer met cocaïne te onderscheppen en had nauw samengewerkt met mededaders.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte medepleger was van de invoer, ook al had verdachte niet zelf de daadwerkelijke invoerhandelingen verricht. Het gereedstaan om de cocaïne na aankomst te onderscheppen valt onder de ruime uitleg van het begrip invoer volgens de Opiumwet. Wel werd de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad verwierp verder de overige middelen en bevestigde de bewezenverklaring en het oordeel van het hof. Het arrest werd gewezen op 21 november 2006 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twee jaar en elf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van cocaïne.