ECLI:NL:HR:2006:AY9635
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens overschrijding beroepstermijn
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tot zes maanden gevangenisstraf wegens valsheid in geschrift en medeplegen daarvan. De bestreden uitspraak werd op 13 mei 2005 aan de verdachte betekend, waarna op 25 mei 2005 cassatieberoep werd ingesteld.
Uit een gratieverzoek van 18 januari 2001 blijkt dat de verdachte reeds toen op de hoogte was van de bestreden uitspraak. Dit betekent dat het cassatieberoep ruim na de wettelijke beroepstermijn werd ingesteld, waardoor de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaarde op grond van artikel 432, tweede lid, Sv.
De Hoge Raad oordeelde dat onjuiste ambtelijke informatie die de verdachte na het verstrijken van de beroepstermijn ontving over de onherroepelijkheid van het arrest niet tot ontvankelijkheid kan leiden. Het middel in cassatie werd daarom niet inhoudelijk behandeld en bleef onbesproken.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 21 november 2006, waarbij de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu betrokken waren.
Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens overschrijding van de beroepstermijn.