ECLI:NL:HR:2006:AY9710
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid feitelijk bestuurder voor faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW
In deze zaak stond de vraag centraal of eiser, als feitelijk bestuurder van Bonbosch B.V., aansprakelijk kon worden gehouden voor het tekort van de failliete vennootschap op grond van artikel 2:248 lid 7 BW Pro. De curator had eiser gedagvaard en vorderde een verklaring voor recht dat eiser aansprakelijk was voor het tekort.
De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van het tekort, een oordeel dat door het gerechtshof werd bekrachtigd na een bewijsopdracht. Eiser stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken. De Hoge Raad oordeelde dat de feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat eiser een algehele volmacht had, de jaarstukken had ondertekend, leningen en leasecontracten had afgesloten en beslissingen nam over betalingen, voldoende waren om hem als feitelijk bestuurder aan te merken.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om het oordeel van het hof te vernietigen. De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt aansprakelijk gehouden als feitelijk bestuurder voor het faillissementstekort.