ECLI:NL:HR:2006:AZ0969

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/198HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • J.C. van Oven
  • W.D.H. Asser
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-nakoming herontwikkelingsverplichting door projectontwikkelaar na doorverkoop perceel

De zaak betreft een geschil tussen een projectontwikkelaar en het kerkgenootschap de Ursulinen over de niet-nakoming van een verplichting tot herontwikkeling van een door de projectontwikkelaar aangekocht perceel grond. Kort na de levering verkocht de projectontwikkelaar het perceel door aan een derde, waardoor de herontwikkeling niet plaatsvond.

De Ursulinen vorderden betaling van een bedrag wegens deze niet-nakoming, waarbij zij een primaire en subsidiaire vordering indienden. De rechtbank wees de subsidiaire vordering toe, een beslissing die door het gerechtshof werd bekrachtigd. De projectontwikkelaar stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de projectontwikkelaar in de kosten van het geding in cassatie. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toewijzing van de subsidiaire vordering wegens niet-nakoming van de herontwikkelingsverplichting.

Uitspraak

17 november 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/198HR
RM/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema,
t e g e n
het kerkgenootschap NEDERLANDSE PROVINCIE VAN DE ROMEINSE UNIE VAN DE ORDE VAN SINT URSULA,
gevestigd te Venray,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ursulinen - heeft bij exploot van 10 mei 2001 (onder meer) eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. Na eiswijziging hebben de Ursulinen primair betaling gevorderd van € 743.291,99 en subsidiair van € 235.511,93 (ƒ 519.000,--) te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten, daaronder begrepen de kosten van beslaglegging.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 15 augustus 2001 op 11 januari 2002 gehouden comparitie van partijen, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 24 september 2003, voor zover in cassatie van belang, de subsidiaire vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 7 april 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ursulinen hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ursulinen begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 november 2006.