ECLI:NL:HR:2006:AZ1230
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring beroep in cassatie inzake inkomstenbelastingaanslag 2003
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van € 23.217. Tegen de aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de Inspecteur ongegrond werd verklaard. Belanghebbende ging in beroep bij de Rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Bij het indienen van het cassatieberoep ontbrak echter de schriftelijke instemming van de Staatssecretaris van Financiën, zoals vereist op grond van artikel 28, lid 3, AWR bij sprongcassatie tegen uitspraken van rechtbanken in belastingzaken. Belanghebbende kreeg de gelegenheid dit te herstellen, maar deed dit niet tijdig.
De brief van de Inspecteur waarin geen bezwaar werd gemaakt tegen sprongcassatie werd niet als geldige instemming aangemerkt. De Staatssecretaris gaf echter later alsnog instemming in het verweerschrift. De Hoge Raad oordeelde daarom dat het beroep in cassatie ontvankelijk was, maar verklaarde het beroep uiteindelijk ongegrond omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van gegronde klachten.