ECLI:NL:PHR:2006:AZ1230
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van sprongcassatie en instemming wederpartij in belastingzaken
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de rechtbank zonder voorafgaande schriftelijke instemming van de wederpartij, de staatssecretaris van Financiën. Na ingebrekestelling verleende de staatssecretaris alsnog zijn instemming in het verweerschrift. De conclusie behandelt de wettelijke regeling van sprongcassatie, waarbij partijen gezamenlijk schriftelijk moeten instemmen om de tweede feitelijke instantie over te slaan.
De conclusie bespreekt uitvoerig de parlementaire geschiedenis, de noodzaak van schriftelijke instemming binnen de cassatietermijn en de mogelijkheid tot herstel van verzuim. Tevens wordt de doorzendplicht van artikel 6:15 Awb Pro toegelicht, die bepaalt dat een onbevoegde rechter het beroepschrift zo spoedig mogelijk moet doorzenden aan de bevoegde rechter.
De conclusie oordeelt dat ondanks het ontbreken van de schriftelijke instemming bij indiening, de Hoge Raad het beroep kan behandelen omdat de instemming alsnog is verleend binnen de procedure. Inhoudelijk wordt het beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank terecht oordeelde dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op reiskostenaftrek voor het jaar 2003.
De conclusie geeft een gedetailleerde analyse van de procedurele aspecten van sprongcassatie, de rol van de schriftelijke instemming, en de gevolgen van het ontbreken daarvan, met verwijzing naar relevante wetsartikelen en jurisprudentie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard omdat de rechtbank terecht oordeelde dat belanghebbende geen aanspraak heeft op reiskostenaftrek.