ECLI:NL:HR:2006:AZ2225

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/282HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 F.Art. 21a F.Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Levensverzekeringpolissen en faillissementsboedel bij huwelijk buiten gemeenschap van goederen

De zaak betreft een geschil tussen een vrouw gehuwd buiten gemeenschap van goederen met kinderen en de curator van haar echtgenoot over de vraag of uitkeringen uit levensverzekeringpolissen binnen de faillissementsboedel vallen.

De eiseressen vorderden dat de polissen als oudedag- en nabestaandenvoorziening buiten de boedel blijven, terwijl de curator stelde dat hij gerechtigd is de uitkeringen te innen. De rechtbank wees de vorderingen van eiseressen af, maar het hof verklaarde dat twee polissen buiten de boedel vallen omdat de begunstiging vóór faillissement was aanvaard.

De Hoge Raad bevestigde dat de bevoegdheid tot wijziging van begunstiging na faillissement niet bij de failliet ligt, maar bij de curator, tenzij de begunstigde onredelijk wordt benadeeld. De nieuwe regeling van art. 21a Faillissementswet is niet van toepassing op de casus omdat deze pas in 1998 in werking trad. Het beroep van eiseressen werd verworpen en zij werden in de kosten veroordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; twee levensverzekeringpolissen vallen buiten de faillissementsboedel omdat de begunstiging vóór faillissement was aanvaard.

Uitspraak

15 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/282HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
mr. J.G. van Hartingsveld, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1],
wonende te Haren,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 9 december 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht:
- dat alle betrokken polissen naar aard en (rechts-)karakter te duiden zijn als een oudedag- en/of nabestaandenvoorziening ten behoeve van [eiser] c.s. uit hoofde van de onderhouds- en/of verzorgingsplicht van [betrokkene 1] jegens dezen;
- dat vanwege die aldus aangenomen aard en dat (rechts-)karakter van die polissen de daarmee of daaruit voortvloeiende uitkeringen danwel betaalbaarstellingen primair geheel buiten de faillissementsboedel (dienen te) blijven, subsidiair tenminste geheel buiten de boedel dienen te worden gelaten nu [eiser] c.s. in de andere situatie alsdan onredelijk zijn of worden benadeeld;
- dat uitwinning van al die hier bedoelde polissen door (of namens) de curator als dus niet is toegestaan;
- met bevel aan de curator zulks te gehengen en te gedogen, en daaraan voor zoveel nodig zijnerzijds alle medewerking te verlenen, respectievelijk alle handelingen die daarop inbreuk (kunnen) maken na te laten en/of te staken en gestaakt te houden,
- de curator te veroordelen in de kosten van het geding en
- voor zover de polissen tot uitkering komen tijdens de loop van het geding, de curator te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de in de polissen betrokken bedragen vanaf het moment van polisuitkering.
De curator heeft de vordering bestreden en heeft in voorwaardelijk reconventie, na vermindering van eis, gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- dat de rechtbank de door [eiser] c.s. onder OHRA Levensverzekeringen N.V. en Winterthur Levensverzekeringmaatschappij gelegde beslagen opheft;
- [eiser] c.s. te veroordelen om aan de curator ter zake van de door [eiser] c.s. gelegde onrechtmatige beslagen een schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- een verklaring voor recht dat de curator gerechtigd is om de uitkeringen voortvloeiende uit de in de dagvaarding omschreven polissen te innen danwel uit te winnen;
- [eiser] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 februari 2004, verbeterd bij vonnis van 3 maart 2004, de vorderingen in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de door [eiser] c.s. onder OHRA Levensverzekeringen N.V. en Winterthur Levensverzekeringmaatschappij gelegde conservatoire beslagen opgeheven, voor recht verklaard dat de curator gerechtigd is de uit de in het dictum nader omschreven polissen voortvloeiende uitkeringen te innen en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 27 april 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover onder 1 van het dictum alle vorderingen van [eiser] c.s. zijn afgewezen, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende voor recht verklaard dat een tweetal in het dictum nader omschreven polissen buiten de faillissementsboedel vallen, de vorderingen van [eiser] c.s. voor het overige afgewezen en het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen curator is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 3 oktober 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiseres 1] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) zijn gehuwd buiten iedere gemeenschap van goederen. Eisers tot cassatie onder 2 en 3 zijn hun meerderjarige kinderen.
(ii) [Betrokkene 1] is in oktober 1995 in staat van faillissement verklaard met benoeming van Van Hartingsveld tot curator.
(iii) [Betrokkene 1] had verzekeringen afgesloten bij OHRA Levensverzekeringen N.V. (hierna: OHRA) en bij Winterthur Levensverzekering Maatschappij (hierna: Winterthur).
(iv) Op 20 november 2002 respectievelijk op 5 december 2002 hebben [eiser] c.s. conservatoir derdenbeslag onder OHRA, respectievelijk onder Winterthur doen leggen op de polissen van de verzekeringen.
3.2 [Eiser] c.s. hebben gevorderd te verklaren voor recht als hiervoor onder 1 vermeld. De curator heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd als hiervoor eveneens onder 1 vermeld.
De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie de door [eiser] c.s. onder OHRA en Winterthur gelegde conservatoire beslagen opgeheven en voor recht verklaard dat de curator gerechtigd is de uit de in het dictum genoemde polissen voortvloeiende uitkeringen te innen.
3.3 In hoger beroep hebben [eiser] c.s. met wijziging van de feitelijke grondslag van hun vorderingen gesteld dat de curator heeft toegelaten of bevorderd dat de door [betrokkene 1] omstreeks augustus/september 1995 verzochte wijziging in de aanwijzing van de begunstigde op de polissen niet zijn doorgevoerd, zodat de curator gerechtigd werd tot die polissen en de polissen, althans de uitkering daarop, in de failliete boedel vallen dan wel valt. Het hof vat de stellingen van [eiser] c.s. aldus op, dat zij zich op het standpunt stellen dat de curator daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen. (rov. 4)
Het hof heeft met betrekking tot "de kern van de zaak" geoordeeld dat als hoofdregel geldt dat rechten uit levensverzekeringspolissen binnen de faillissementsboedel vallen, hetgeen ertoe leidt dat de curator de rechten uit die polissen kan uitoefenen (art. 20 F.). Zo kan de curator, aldus het hof, de verzekering afkopen of de aanwijzing van de begunstigde wijzigen. Indien echter een derde als begunstigde is aangewezen, en deze derde de begunstiging heeft aanvaard, heeft de verzekeringnemer /failliet zonder toestemming van de begunstigde geen recht tot wijziging van de begunstiging. Derhalve kan in dat geval ook de curator geen wijziging van de begunstiging realiseren.(rov. 6) De bepaling van art. 21a F., waarin een nuance op de hoofdregel wordt aangebracht in die zin dat de curator geen wijziging kan aanbrengen in de begunstiging (noch de verzekering kan afkopen), indien de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor onredelijk wordt benadeeld, acht het hof, nog ervan afgezien dat dit artikel pas op 1 december 1998 in werking is getreden, niet van belang, gelet op de in hoger beroep gewijzigde stellingname van [eiser] c.s., die niet langer erop berust dat de curator de begunstiging in de polissen heeft gewijzigd (rov. 7 in verbinding met rov. 4). Het hof heeft geoordeeld (1) dat in het thans aan de vorderingen van [eiser] c.s. ten grondslag gelegde feitencomplex van beslissend belang is het tijdstip waarop de door hen gestelde verzoeken van [betrokkene 1] tot wijziging van de begunstiging van de desbetreffende polissen zijn ingediend en (2) dat, indien die wijziging heeft plaatsgevonden na het faillissement van [betrokkene 1] op 11 oktober 1995, [betrokkene 1] niet meer bevoegd was de beschikkingsrechten uit de polis uit te oefenen (rov. 8). Het hof houdt het ervoor dat [betrokkene 1] wijziging van de begunstiging van de polissen heeft verzocht toen hij reeds failliet was (rov. 14).
3.4 Op deze gronden heeft het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat twee, in het dictum nader omschreven, levensverzekeringpolissen buiten de faillissementsboedel vallen. Voor het overige heeft het hof de in conventie gevorderde verklaring voor recht afgewezen. Met betrekking tot de andere beslissingen in conventie en in reconventie heeft het hof het vonnis bekrachtigd.
3.5 Onderdeel 1.2, gericht tegen het eerste oordeel in rov. 8, klaagt dat het tijdstip waarop door [betrokkene 1] verzoeken tot wijziging van de begunstiging van de desbetreffende polissen bij de verzekeraar zijn ingediend, niet van belang is nu vaststaat dat de verzoeken op het moment dat het faillissement werd uitgesproken nog niet waren gehonoreerd. Onderdeel 1.5, gericht tegen het tweede oordeel in rov. 8, acht rechtens onjuist het oordeel dat, indien de wijziging heeft plaatsgevonden na de faillietverklaring, [betrokkene 1] niet langer bevoegd was de beschikkingsrechten uit de polis uit te oefenen.
3.6 Naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 december 1913, NJ 1914, blz. 257-260, viel, indien de verzekeringnemer van een overeenkomst van levensverzekering failliet ging, de bevoegdheid tot aanwijzing van de begunstigde bij die overeenkomst krachtens art. 20 F. in de failliete boedel van de verzekeringnemer. Indien niet een derde als begunstigde was aangewezen die deze begunstiging voor de faillietverklaring had aanvaard, kon de curator dus - eventueel met wijziging van de aanvankelijke aanwijzing - zichzelf als begunstigde aanwijzen.
3.7 Met ingang van 1 december 1998 is hierin wijziging gebracht op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2 uiteengezette wijze. De nieuwe wettelijke regeling leent zich echter niet voor anticipatie, omdat deze een breuk inhoudt met het tot die datum geldende recht. In het sedertdien geldende recht is immers het hiervoor in 3.6 vermelde uitgangspunt in zoverre losgelaten, dat het recht om de begunstiging te wijzigen buiten de boedel valt, tenzij de wijziging geschiedt ten behoeve van de boedel en de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor niet onredelijk benadeeld wordt. Het oordeel of van dit laatste sprake is, komt toe aan de rechter-commissaris wiens toestemming vereist is indien de curator de begunstiging wil wijzigen.
3.8 Hieruit volgt dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat het van beslissend belang was of de (door [eiser] c.s. gestelde) wijziging door [betrokkene 1] van de begunstigde in de polissen is geschied vóór of na de faillissementsdatum. De onderdelen 1.2 en 1.5 falen.
3.9 De overige klachten van middel I en de klacht van middel II kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 december 2006.