ECLI:NL:HR:2006:AZ3087
Hoge Raad
- Cassatie
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Geschil over verdeling executieopbrengst boerderij en schending voorkeursrecht
In deze zaak staat een geschil tussen twee broers centraal over de verdeling van de netto-executieopbrengst van een familieboerderij die steeds in familiebezit is geweest. Eiser heeft een verzoek ingediend tot toestemming voor onderhandse verkoop van het registergoed, waarna een rechter-commissaris werd benoemd om de verdeling van de verkoopopbrengst te regelen. De rechter-commissaris kon partijen niet verenigen en verwees hen naar de terechtzitting.
Verweerder vorderde een bedrag van € 226.890,-- wegens een door eiser verbeurde boete, subsidiair € 91.000,-- vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank besloot de verdeling van de executieopbrengst zonder deze vordering, waarna verweerder hoger beroep instelde. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat € 91.000,-- van de executieopbrengst aan verweerder moest worden uitgekeerd.
Eiser stelde beroep in cassatie tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, mede op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is het oordeel van het hof bekrachtigd en is de verdeling van de executieopbrengst definitief vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat € 91.000,-- van de executieopbrengst aan verweerder moet worden uitgekeerd.