ECLI:NL:HR:2006:AZ4161

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/261HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling contractuele boete en schadevergoeding bij ontbinding koopovereenkomst onroerend goed en aandelen

In deze zaak stond een geschil centraal over de betaling van een contractuele boete en de vergoeding van schade als gevolg van niet-nakoming dan wel ontbinding van een koopovereenkomst betreffende onroerende zaken en aandelen in besloten vennootschappen.

De eiseres werd door verweerder gedagvaard met de vordering tot betaling van een contractuele boete en schadevergoeding wegens niet-nakoming of ontbinding van de koopovereenkomst. Eiseres bestreed deze vordering en vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig was ontbonden en dat verweerder een contractuele boete en schadevergoeding moest betalen.

De rechtbank wees de vordering in conventie af en verklaarde de ontbinding van de koopovereenkomst rechtsgeldig, waarbij verweerder werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan eiseres. Het gerechtshof vernietigde dit vonnis en veroordeelde eiseres tot betaling aan verweerder van een bedrag vermeerderd met wettelijke rente.

Eiseres stelde beroep in cassatie in, dat door de Hoge Raad werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Tevens werd eiseres veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof waarin eiseres wordt veroordeeld tot betaling aan verweerder.

Uitspraak

22 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/261HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.M. Baumgarten,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Koot.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 3 december 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 256.200,-- ter zake van de door [eiseres] jegens [verweerder] verbeurde contractuele boete, en om alle door [verweerder] geleden en te lijden schade te vergoeden die een gevolg is van de niet-nakoming door [eiseres] van de koopovereenkomst dan wel de ontbinding daarvan door [verweerder], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
[eiseres] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd een verklaring voor recht dat de tussen [eiseres] en [verweerder] gesloten overeenkomst(en) rechtsgeldig is (zijn) ontbonden, [verweerder] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 256.200,-- ter zake van de door [verweerder] jegens [eiseres] verbeurde contractuele boete, [verweerder] te veroordelen om alle door [eiseres], als gevolg van de niet-nakoming dan wel ontbinding van de overeenkomst, geleden en te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.
[Verweerder] heeft de vordering in reconventie bestreden.
Bij vonnis van 4 september 2002 heeft de rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de vordering in conventie afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden, [verweerder] veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 116.259,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 1996 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij tussenarrest van 4 december 2003 heeft het hof [verweerder] toegelaten tot bewijslevering. Bij eindarrest van 31 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 116.258,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 1996, en het door [verweerder] meer of anders gevorderde en het door [eiseres] gevorderde afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 december 2006.