ECLI:NL:HR:2006:AZ4418
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ondernemerschap voor omzetbelasting in jaren 1998-2000
Belanghebbende werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de jaren 1998 tot en met 2000. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd het beroep ongegrond verklaard. Het Hof oordeelde dat belanghebbende in die jaren geen duurzame economische activiteiten verrichtte en dus geen ondernemer was voor de omzetbelasting.
De Hoge Raad stelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door alleen te toetsen of belanghebbende duurzame prestaties tegen vergoeding verrichtte. Volgens de Hoge Raad moet het begrip ondernemerschap worden uitgelegd conform artikel 4 van Pro de Zesde richtlijn, waarbij ook voorbereidende werkzaamheden en het oogmerk van belanghebbende relevant zijn, ongeacht winstdoelstelling.
Omdat het Hof niet heeft vastgesteld wat het oogmerk van belanghebbende was met betrekking tot de prestaties en aftrekposten, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitleg.
De Hoge Raad gelast tevens dat de Staat het griffierecht vergoedt dat belanghebbende heeft betaald voor het cassatieberoep. Proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken, en het verwijzingshof zal beoordelen of kostenvergoeding aan belanghebbende toekomt.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.