ECLI:NL:HR:2007:AY9928
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Toepassing doorschuiffaciliteit bij overdracht buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen aan echtgenote
Belanghebbende en zijn echtgenote oefenden samen een bakkersbedrijf uit in de vorm van een maatschap, waarbij oorspronkelijk de winsten en verliezen ongelijk werden verdeeld. In 1999 droeg belanghebbende de helft van zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen, het pand, over aan zijn echtgenote om te komen tot een gelijke verdeling van de onderneming.
De Inspecteur weigerde de toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 17 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 op deze overdracht, wat leidde tot een aanslag op het belastbaar inkomen. Het hof oordeelde dat de overdracht van het pand losstond van de wijziging in de verdeling van de buitengewone baten en lasten en wees het beroep af.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de overdracht van het pand onderdeel uitmaakt van de overdracht van een deel van de onderneming en dat de doorschuiffaciliteit daarom wel van toepassing is. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot nihil en stelt het verlies vast op ƒ 4476. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest, past de doorschuiffaciliteit toe op de overdracht van het pand en vermindert de aanslag tot nihil met vaststelling van het verlies op ƒ 4476.