3.1 Het gaat in dit executiegeschil, kort samengevat, om het volgende.
(i) SETAR was op Aruba monopolist op de markt voor mobiele telecommunicatiediensten. Het Land is eigenaar van SETAR, en tevens de concessieverlenende instantie voor nieuwe toetreders op deze markt. NMTS is één van de telecommunicatieaanbieders die een zelfstandig mobiel netwerk systeem willen exploiteren op Aruba. Hiertoe heeft zij in 1999 een concessie bij de verantwoordelijke minister en de gouverneur van het Land aangevraagd.
(ii) Het gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft bij vonnis van 14 maart 2002 het Land gelast binnen drie maanden een besluit te nemen, strekkende tot verlening aan NMTS van een concessie, onder door de desbetreffende bestuursorganen te formuleren redelijke voorwaarden. De concessie is niet binnen de gestelde termijn verleend. Bij uitspraak van 28 juni 2002 heeft het gerecht het Land gelast om alsnog gevolg te geven aan de uitspraak van 14 maart 2002. Daartoe werd een nieuwe termijn bepaald eindigende op 4 juli 2002. Tevens werd een dwangsom op overtreding van het bevel gesteld.
(iii) Op 5 juli 2002 is de concessie alsnog verleend.
(iv) NMTS heeft vervolgens aanspraak gemaakt op de door het gerecht aan het Land opgelegde dwangsom. NMTS voerde daartoe aan - voor zover in cassatie nog van belang - dat de concessie niet is verleend onder redelijke voorwaarden. Het Land heeft vervolgens in kort geding een verbod van executie van het vonnis van 28 juni 2002 gevorderd. Het gerecht heeft deze vordering deels toegewezen. Het hof heeft het vonnis van het gerecht vernietigd en heeft de executie van de dwangsombepaling verboden totdat en indien door het hof in de bestuursrechtelijke bodemprocedure zou worden geoordeeld dat het voorwaardenpakket verbonden aan de op 5 juli 2002 verleende concessie, onredelijk is.
(v) In de bestuursrechtelijke bodemprocedure heeft het hof op 30 januari 2003 in een tussenvonnis geoordeeld, kort gezegd, dat bepaalde voorwaarden uit de aan NMTS verleende concessie dienden te vervallen of te worden gewijzigd, en voor het overige een deskundigenrapport nodig geacht om te kunnen beoordelen of de door het Land in de concessie gestelde voorwaarden, de vastgestelde financiële vergoeding daaronder begrepen, een feitelijke belemmering vormen voor de toegang van een commerciële aanbieder tot de binnenlandse markt voor mobiele telecommunicatie.
(vi) Bij eindvonnis in de bestuursrechtelijke bodemprocedure van 25 februari 2004 heeft het hof aan de hand van het inmiddels uitgebrachte deskundigenrapport, samengevat weergegeven, het bestreden besluit tot concessieverlening vernietigd en geoordeeld dat het Land binnen drie maanden aan de gouverneur een voordracht moet doen voor een Landsbesluit, met inachtneming van hetgeen in het vonnis van het hof is overwogen. Het hof overwoog daartoe met name dat uit het deskundigenrapport niet volgt dat de in de concessie gestelde voorwaarden een feitelijke belemmering vormen voor de toegang van een commerciële aanbieder tot de Arubaanse markt, maar dat de in zijn tussenvonnis nader aangeduide voorwaarden dienen te vervallen of te worden gewijzigd en dat de duur van de concessie met een half jaar dient te worden verlengd wegens de aanvankelijke onduidelijkheid over de houdbaarheid van de in de concessie gestelde voorwaarden.
(vii) NMTS heeft vervolgens opnieuw aanspraak gemaakt op de in het vonnis van het gerecht van 28 juni 2002 aan het Land opgelegde dwangsom. Zij voerde daartoe mede aan dat uit het door het hof gewezen tussenvonnis blijkt dat de concessie niet is verleend op redelijke voorwaarden als in het vonnis van het gerecht van 14 maart 2002 bedoeld.