ECLI:NL:HR:2007:AZ1776
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling successierechtelijke tariefstelling voor broers- en zusterskinderen
In deze zaak heeft de Hoge Raad de vraag behandeld of het successietarief voor broers- en zusterskinderen, dat gelijk is gesteld aan dat van niet-verwanten (tariefgroep III), in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, alsmede met het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.
De belanghebbenden hadden aanslagen in het successierecht ontvangen voor verkrijgingen uit de nalatenschap van hun oom in 2001, waarbij het tarief van tariefgroep III werd toegepast met een effectieve belastingdruk van 67,3%. De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukte dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van tariefgroepen en dat maatschappelijke ontwikkelingen weliswaar leiden tot minder gewicht van verwantschap, maar dat deze niet zodanig zijn dat het buitenkansbeginsel geen rol meer speelt.
De Hoge Raad concludeerde dat het tariefonderscheid niet leidt tot een overduidelijke onevenredigheid en dat er geen dwingende verdragsrechtelijke bepaling is die de wetgever belemmert deze keuze te maken. Ook biedt de huidige rechtspraak geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een ontoelaatbare confiscatie. De beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak werd niet gepubliceerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de successietariefstelling voor broers- en zusterskinderen.