ECLI:NL:PHR:2007:AZ1776
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijke differentiatie successietarief voor broers- en zusterskinderen
In deze zaak is aan belanghebbende een aanslag successierecht opgelegd voor een verkrijging uit de nalatenschap van haar oom, belast volgens tariefgroep III van de Successiewet 1956. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat het tarief in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1, Eerste Protocol EVRM, alsmede met het recht op eigendom.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid redelijk heeft kunnen besluiten broers- en zusterskinderen gelijk te stellen met niet-verwanten voor het successietarief. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar maatschappelijke ontwikkelingen, internationale vergelijkingen en jurisprudentie die aangeven dat een differentiatie naar graad van verwantschap gebruikelijk en gerechtvaardigd is.
De Hoge Raad benadrukt dat het tarief niet als een ontoelaatbare confiscatie kan worden beschouwd en dat het buitenkansbeginsel een legitieme grondslag vormt voor progressieve successietarieven. Budgettaire overwegingen zijn geen onrechtmatige reden voor het tariefonderscheid. De verwachting van een buitenkans is niet relevant indien de wetgever de tariefgroepen afhankelijk heeft gesteld van de verwantschapsgraad.
De conclusie luidt dat de aanslag terecht is opgelegd en dat de beroepen ongegrond zijn, waarmee de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het successietarief voor broers- en zusterskinderen rechtmatig is.