ECLI:NL:HR:2007:AZ1778

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41944
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Successiewet 1956Art. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling successierechtelijke tariefstelling voor broers- en zusterskinderen

In deze zaak is aan belanghebbenden een aanslag successierecht opgelegd over verkrijgingen uit de nalatenschap van hun oom in 2001, belast volgens tariefgroep III van de Successiewet 1956. De effectieve belastingdruk bedroeg 67,3 procent. Belanghebbenden voerden aan dat deze tariefstelling in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, alsmede met het recht op eigendom.

De A-G concludeerde dat de wetgever binnen een ruime beoordelingsmarge de keuze had om broers- en zusterskinderen anders te behandelen dan verwanten van hogere graad, en dat het tarief niet als onevenredig kon worden beschouwd. De maatschappelijke ontwikkelingen en internationale vergelijkingen ondersteunen dat rekening houden met de graad van verwantschap bij successietarieven gebruikelijk is.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat er geen sprake is van een ontoelaatbare confiscatie of discriminatie. De beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak werd niet gepubliceerd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de successietariefstelling voor broers- en zusterskinderen.

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd