ECLI:NL:PHR:2007:AZ1778
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime beoordelingsvrijheid wetgever bij successietarief voor broers- en zusterskinderen
In deze zaak staat de vraag centraal of het successietarief dat geldt voor kinderen van broers en zussen, ingedeeld in tariefgroep III, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1, Eerste Protocol, EVRM, alsmede met het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1, Eerste Protocol, EVRM.
Belanghebbende erfde een aanzienlijke nalatenschap van zijn oom en werd belast volgens het tarief van tariefgroep III met een effectieve belastingdruk van 67,3%. Hij stelde dat dit tarief onrechtvaardig was en in strijd met genoemde mensenrechtenbepalingen. Zowel de Inspecteur als het Hof verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van tariefgroepen en dat het onderscheid tussen broers- en zusterskinderen en andere verkrijgers niet als een verboden discriminatie kan worden aangemerkt. Ook is geen sprake van een ontoelaatbare confiscatie in de zin van het EVRM. De maatschappelijke ontwikkelingen en internationale vergelijkingen tonen dat differentiatie naar verwantschap gebruikelijk is.
De Hoge Raad wijst erop dat budgettaire overwegingen niet per definitie onrechtmatig zijn, mits er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het arrest bevestigt dat het successierecht een dubbel progressief tarief kent, afhankelijk van de omvang van de verkrijging en de graad van verwantschap, en dat deze systematiek binnen de grenzen van het recht valt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het successietarief voor kinderen van broers en zussen niet in strijd is met het discriminatieverbod en het recht op eigendom.