ECLI:NL:HR:2007:AZ2838
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling splitsbaarheid pand en vermogensetikettering voor ondernemingsvermogen
Belanghebbenden exploiteerden een installatie- annex onderdelenwinkel en een kleinhandel in huishoudelijke artikelen. In 1997 werden de installatiewerkzaamheden gestaakt en in 1999 werd de onderneming volledig beëindigd. Het pand waarin de onderneming werd uitgeoefend, werd in 1999 verkocht aan een projectontwikkelaar en vervolgens gesloopt. Belanghebbenden rekenden het pand tot hun privé-vermogen.
De inspecteur stelde op basis van een taxatierapport dat het pand splitsbaar was en dat het deel waarin de onderneming werd uitgeoefend, de benedenverdieping, verplicht tot het ondernemingsvermogen moest worden gerekend. Hierdoor behoorde de boekwinst bij verkoop tot de winst uit onderneming. Het hof oordeelde eveneens dat het pand splitsbaar was en dat de benedenverdieping tot het ondernemingsvermogen behoorde.
Belanghebbenden gingen in cassatie tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was. De beroepen van belanghebbenden werden ongegrond verklaard. De uitspraak wordt niet gepubliceerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het bedrijfsdeel van het pand verplicht tot het ondernemingsvermogen behoort.