ECLI:NL:PHR:2007:AZ2838
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt splitsbaarheid pand en verplichte vermogensetikettering bedrijfsdeel
Belanghebbenden exploiteerden een installatie- annex onderdelenwinkel en kleinhandel in een pand dat zij aanvankelijk geheel tot hun privé-vermogen rekenden. Na staking van de onderneming in 1999 werd het pand verkocht en gesloopt. De inspecteur rekende het bedrijfsdeel van het pand tot het ondernemingsvermogen en belastte de boekwinst daarop.
Het Hof Leeuwarden oordeelde dat het pand splitsbaar was in een woon- en een bedrijfsdeel, waarbij het bedrijfsdeel verplicht tot het ondernemingsvermogen behoorde. Belanghebbenden voerden aan dat het pand niet splitsbaar was en dat het privégebruik van het bedrijfsdeel zodanig was dat het gehele pand tot privé-vermogen mocht worden gerekend. Het Hof verwierp dit bewijsaanbod en bevestigde de splitsbaarheid en verplichte etikettering van het bedrijfsdeel.
In cassatie betoogden belanghebbenden dat het Hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde en onvoldoende rekening hield met wijzigingen in het pand. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over de splitsbaarheid en de vermogensetikettering niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was en dat het bewijsaanbod terecht was gepasseerd. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De conclusie van de Procureur-Generaal bevat een uitgebreide analyse van de vermogensetikettering van panden, waarbij wordt benadrukt dat bij splitsbare panden de afzonderlijke delen afzonderlijk moeten worden geëtiketteerd. De keuzevrijheid van de ondernemer is beperkt door de grenzen der redelijkheid, waarbij verplichte ondernemingsdelen niet tot privévermogen mogen worden gerekend. Ook wordt ingegaan op koppelaankopen, wijziging van aanwending en de toepassing van de foutenleer bij onjuiste etikettering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het bedrijfsdeel van het pand wordt verplicht tot het ondernemingsvermogen gerekend.