ECLI:NL:HR:2007:AZ3307

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00886/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 14 EVRMArt. 290 SrArt. 291 SrArt. 292 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen moord op pasgeborene zonder toepassing geprivilegieerde strafbepalingen

De verdachte is door het hof veroordeeld voor medeplegen van moord op een pasgeboren kind, gepleegd op 17 oktober 2003 te 's-Gravenhage. Het hof heeft het beroep van de verdachte verworpen dat de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290 en 291 Sr van toepassing zouden zijn, welke strafvermindering bieden aan de moeder die haar kind onder bijzondere omstandigheden van het leven berooft.

De verdediging voerde aan dat de verdachte, hoewel niet de moeder, aanspraak zou moeten maken op deze strafvermindering vanwege een vrees voor ontdekking van de geboorte. Het hof oordeelde dat deze strafverminderingsgrond specifiek is bedoeld voor de moeder vanwege haar bijzondere gemoedstoestand en niet van toepassing is op anderen die deelnemen aan het delict.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en verwerpt het cassatieberoep. Er is geen sprake van een relevante strafverminderende gemoedstoestand bij de verdachte. Het hof heeft het vonnis van negen jaar gevangenisstraf voor medeplegen moord terecht uitgesproken en het beroep op de artikelen 290 en 291 Sr terecht afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot negen jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord zonder toepassing van de geprivilegieerde strafbepalingen.

Uitspraak

9 januari 2007
Strafkamer
nr. 00886/06
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 september 2005, nummer 22/007612-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 november 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van moord" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de toepasselijkheid van de art. 290 en Pro 291 Sr.
4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 17 oktober 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade het zojuist uit [medeverdachte 1] geboren kind van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:
- meermalen een sjaal of een (hand)doek op de mond en/of het gezicht van het kind te drukken,
- meermalen de nek of het hoofd van het kind (om) te draaien,
- met een mes meermalen in de keel van het kind te snijden, en
- het kind vervolgens in een plastic tas te leggen en vervolgens in een gracht te gooien,
tengevolge waarvan voornoemd kind is overleden."
4.3. Het bestreden arrest houdt onder "Het beroep op de artikelen 290/291 WvS" het volgende in:
"De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, in weerwil van het bepaalde in artikel 292 WvS Pro, een beroep toekomt op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290/291 WvS. Daartoe is aangevoerd dat aan de moeder met toepasselijkheid van deze bepalingen tevens het recht op bescherming van artikel 8 EVRM Pro is gegeven, welk recht weliswaar volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM Pro bij wet kan worden beperkt, maar welke beperking niet zover mag gaan dat deze het non-discriminatie gebod van artikel 14 EVRM Pro doorkruist. De verdediging beroept zich in dit verband - naar het hof begrijpt - op een bij de verdachte bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die een uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, dat derhalve - ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM Pro, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft - niet in het geding kan zijn.
Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS Pro, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoelde misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals (...) zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij zijn verweer in deze."
4.4. Het oordeel van het Hof dat de art. 290 en Pro 291 Sr te dezen niet toepasselijk zijn, is juist.
4.5. Het middel faalt.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 januari 2007.