ECLI:NL:HR:2007:AZ7625

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/069HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 354 lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei wegens schending hoor en wederhoor

De zaak betreft de beëindiging van de schuldsaneringsregeling (WSNP) voor verzoekster zonder toekenning van de schone lei, zoals bepaald in artikel 354 lid 1 van Pro de Faillissementswet. De rechtbank Amsterdam had dit besluit genomen en het hof Amsterdam had dit bevestigd in hoger beroep.

Verzoekster stelde in cassatie dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door haar niet te informeren over het verslag van de bewindvoerder dat negatief adviseerde over de toekenning van de schone lei. Dit verslag was niet voorafgaand aan de zitting aan verzoekster of haar advocaat toegezonden en ook niet ter zitting besproken, waardoor verzoekster geen gelegenheid had om hierop te reageren.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad het hoor en wederhoor had geschonden en vernietigde het arrest van het hof Amsterdam. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Een aanvullend verzoekschrift tot cassatie werd door de Hoge Raad niet behandeld omdat het te laat was ingediend en de klacht reeds in het oorspronkelijke verzoekschrift had kunnen worden opgenomen.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor en de zaak wordt verwezen naar het hof te 's-Gravenhage.

Uitspraak

20 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/069HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.A.C. Spoormans.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - beëindigd zonder haar de schone lei te verstrekken.
Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 30 mei 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en tot verwijzing van de zaak.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het hof heeft bij zijn beoordeling van de vraag of aan [verzoekster] op de voet van art. 354 lid Pro 1 F. de schone lei kan worden verleend, gelet op de inhoud van het verslag met bijlagen dat de bewindvoerder G.J. van Rossem per brief van 5 april 2006 aan het hof heeft doen toekomen. De bewindvoerder heeft daarin geadviseerd [verzoekster] geen schone lei te verlenen. Middel II voert aan dat [verzoekster] en haar advocaat met het bestaan en de inhoud van dat verslag onbekend waren, en ook niet bekend konden zijn, nu het noch voorafgaand aan de behandeling van de zaak ter zitting van het hof aan [verzoekster] is toegestuurd noch ook ter zitting is besproken, zodat [verzoekster] geen gelegenheid heeft gehad op de inhoud daarvan te reageren. Het middel klaagt terecht dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Noch uit de brief van de bewindvoerder van 5 april 2006 zelf, waarvan [verzoekster] in het door haar aan de Hoge Raad overgelegde procesdossier een faxkopie heeft overgelegd, noch uit het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door het hof op 28 april 2006, noch uit het arrest van het hof, valt af te leiden dat de bewindvoerder kopieën van zijn verslag met bijlagen heeft toegezonden aan [verzoekster] of haar raadsman, of dat [verzoekster] ter zitting van het hof gelegenheid heeft gekregen van dat verslag kennis te nemen en daarop te reageren. Daarom is aannemelijk dat [verzoekster], zoals zij stelt, het verslag niet kende en geen gelegenheid heeft gekregen haar standpunt ten aanzien daarvan aan het hof kenbaar te maken. De middelen I en III behoeven geen behandeling.
3.2 [Verzoekster] heeft in haar verzoekschrift in cassatie onder 4.2 verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om na ontvangst van het proces-verbaal van de behandeling van de zaak ten overstaan van het hof en voorzover het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft, haar middelen bij aanvullend verzoekschrift aan te vullen. Na ontvangst van dat proces-verbaal heeft de advocaat van [verzoekster] inderdaad een aanvullend verzoekschrift ingediend dat op 26 juli 2006, na het verstrijken van de cassatietermijn, ter griffie is binnengekomen. Het daarin voorgestelde middel IV bestaat uit een klacht waarvoor de inhoud van het proces-verbaal van geen belang is en die ook reeds in het verzoekschrift tot cassatie had kunnen worden opgenomen. Dit middel wordt daarom door de Hoge Raad niet behandeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 30 mei 2006;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 april 2007.