ECLI:NL:HR:2007:BA6235

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/101HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurgeschil over de kwalificatie van leaseovereenkomst als verboden eeuwigdurende huur en de bindende werking voor opvolgend eigenaar

In deze zaak staat centraal of een leaseovereenkomst kwalificeert als een verboden eeuwigdurende huur en of een opvolgend eigenaar van het verhuurde gebonden is aan het daaruit voortvloeiende gebruiksrecht. Eiser heeft verzocht de onroerende zaak te ontruimen en schadevergoeding gevorderd, terwijl verweerster de vordering heeft bestreden.

De rechtbank wees de vordering van eiser af, welke beslissing door het gerechtshof werd bekrachtigd. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft de eerdere beslissing in stand dat de leaseovereenkomst niet als verboden eeuwigdurende huur wordt aangemerkt en dat de opvolgend eigenaar niet gebonden is aan het gebruiksrecht uit die overeenkomst.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere afwijzing van de vorderingen blijft in stand.

Uitspraak

13 juli 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/101HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft [verweerster] bij exploot van 22 oktober 2001 gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen de onroerende zaak aan de [a-straat 1-2] te [plaats] te ontruimen en te verlaten, zulks op een termijn van vier weken na het tijdstip van de uitspraak, althans op een zodanige andere termijn als de rechtbank zal bepalen. [Eiser] heeft voorts schadevergoeding gevorderd.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden en een (voorwaardelijke) vordering in reconventie ingesteld. Deze vordering speelt in cassatie geen rol meer.
De rechtbank heeft bij vonnis van 10 december 2003 de vordering in conventie afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 15 december 2005 heeft het hof in het principaal appel het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 596,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.