ECLI:NL:HR:2007:BA6244

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/155HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BWArt. 1:84 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekening kosten huishouding

Partijen zijn in 1987 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2001 gescheiden. De rechtbank en het hof hebben de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, maar er bleef een geschil bestaan over twee bedragen: een opname van ƒ 59.000 van de gezamenlijke spaarrekening door de vrouw en een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting (IB) van € 2.698,18 die aan de vrouw was uitbetaald.

De rechtbank oordeelde dat de opname van ƒ 59.000 was aangewend voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud en dat verrekening niet nodig was. Het hof volgde dit oordeel. Over de voorlopige teruggaaf IB oordeelde de rechtbank dat deze niet voor verrekening in aanmerking kwam, maar het hof stelde dat deze binnen de gemeenschap viel en verrekend moest worden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de man over de opname van ƒ 59.000, omdat deze kosten mede ten laste van het gemeenschappelijk vermogen kwamen. Het incidentele beroep van de vrouw over de voorlopige teruggaaf IB wordt gegrond verklaard, omdat deze betrekking had op een periode na de peildatum en het bedrag na de peildatum was uitbetaald, waardoor het niet tot de gemeenschap behoorde.

De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel van het hof over de verrekening van de voorlopige teruggaaf en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2004.

Uitkomst: De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting na de peildatum valt niet in de gemeenschap en hoeft niet te worden verrekend.

Uitspraak

14 september 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/155HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. Brandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift van 5 maart 2001 heeft de vrouw zich gewend tot de rechtbank Rotterdam en verzocht, kort gezegd, echtscheiding tussen haar en de man uit te spreken, met nevenvoorzieningen.
De man heeft het verzoek bestreden en zelfstandige verzoeken ingediend.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 7 november 2001 echtscheiding uitgesproken en, voorzover in cassatie van belang, de zaak aangehouden ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Na een tweetal tussenbeschikkingen van 30 oktober 2002 en 20 april 2004 heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 29 juli 2004 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld zoals nader omschreven in het dictum.
Tegen de tussenbeschikkingen van 20 april 2004 en 29 juli 2004 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenbeschikking van 1 maart 2006 heeft het hof bij eindbeschikking van 23 augustus 2006, in aanvulling op de bestreden beschikkingen, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bepaald zoals omschreven in het dictum.
Beide beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen deze beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het principale beroep te verwerpen en de man heeft in het incidentele beroep geconcludeerd tot referte.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt in het principale beroep tot verwerping van het beroep en in het incidentele beroep tot vernietiging van de bestreden beschikkingen van het hof, met afdoening als onder 4.2 bedoeld.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 Partijen zijn op 3 juli 1987 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd; uit het huwelijk is op [geboortedatum] 1994 een dochter geboren.
Het huwelijk is op 3 december 2001 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2 De rechtbank en het hof hebben de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld. In cassatie bestaat nog slechts geschil omtrent de verdeling van twee bedragen, te weten het bedrag van ƒ 59.000,-- (€ 26.773,07) dat de vrouw op 8 juli 2000 heeft opgenomen van de gezamenlijke spaarrekening met nr. 61.79.08.702, en het bedrag van € 2.698,18 dat aan de vrouw is uitbetaald ter zake van voorlopige teruggaaf IB 2001.
De rechtbank heeft met betrekking tot het bedrag van ƒ 59.000,-- overwogen dat de vrouw aan de hand van kostenoverzichten en facturen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit bedrag heeft aangewend voor kosten van levensonderhoud voor haarzelf en voor de dochter van partijen. Volgens de rechtbank gaat het hier om noodzakelijke kosten (hypotheekrente, gebruikerslasten van de woning en naschoolse opvang) en is er geen aanleiding dit bedrag geheel of gedeeltelijk te verrekenen. Het hof heeft in rov. 4 van de tussenbeschikking van 1 maart 2006 dit oordeel van de rechtbank gevolgd.
Ook ten aanzien van de voorlopige teruggaaf IB 2001 heeft de rechtbank geoordeeld dat het desbetreffende bedrag niet voor verrekening in aanmerking komt. Het hof echter heeft in rov. 11 van de zojuist genoemde beschikking overwogen dat, gelet op het feit dat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en gelet op de te hanteren peildatum, te weten 11 juli 2000, de aan de vrouw uitbetaalde voorlopige teruggaaf IB 2001 in de gemeenschap valt en derhalve dient te worden verrekend.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Het middel richt zich tegen de hiervoor vermelde rov. 4 en klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bedrag van € 26.773,-- (ƒ 59.000,--) niet behoeft te worden verrekend bij de verdeling. Het middel voert aan dat dit door de vrouw op 8 juli 2000 opgenomen bedrag op de peildatum, 11 juli 2000, nog tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde en derhalve op de voet van art. 1:100 lid 1 BW Pro tussen partijen moet worden verdeeld.
Voorzover het middel klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat het door de vrouw opgenomen bedrag op de peildatum niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft dit immers niet geoordeeld, maar heeft - in het voetspoor van de rechtbank - overwogen dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het opgenomen bedrag heeft besteed aan kosten van levensonderhoud. Met zijn oordeel dat het hier gaat om noodzakelijke kosten heeft het hof kennelijk het oog op de kosten van de huishouding die ingevolge art. 1:84 BW Pro in beginsel ten laste komen van, kort gezegd, het gemeenschappelijke inkomen dan wel het gemeenschappelijke vermogen van partijen. In het oordeel van het hof ligt derhalve besloten dat de vrouw met het opgenomen bedrag de mede voor rekening van de man komende kosten heeft voldaan. Het hof heeft dan ook, anders dan het middel betoogt, art. 1:100 lid 1 BW Pro niet miskend.
5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
Het middel, dat klaagt over het oordeel van het hof dat de aan de vrouw uitbetaalde voorlopige teruggaaf IB 2001 in de boedel valt en tussen partijen moet worden verrekend, is terecht voorgesteld. Blijkens de stukken van het geding heeft deze voorlopige teruggaaf, met dagtekening 15 januari 2001, betrekking op het jaar 2001, derhalve op een periode die valt na de peildatum van 11 juli 2000, en is het bedrag van € 2.698,18 na de peildatum uitbetaald, zodat dat bedrag niet in de gemeenschap valt. De bestreden beschikkingen moeten derhalve worden vernietigd, voorzover het hof daarin heeft geoordeeld dat de aan de vrouw uitbetaalde voorlopige teruggaaf IB 2001 tussen partijen moet worden verrekend. De Hoge Raad kan zelf de zaak op dit punt afdoen.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
in het incidentele beroep:
vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2006 en 23 augustus 2006 voorzover daarbij is geoordeeld dat de voorlopige teruggaaf IB 2001 ten bedrage van € 2.698,18 tussen partijen moet worden verrekend;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2004.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 september 2007.