ECLI:NL:HR:2007:BA6553

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42104
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • C. Schaap
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 letter q Wet op belastingen van rechtsverkeer
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toepassing landbouwstructuurvrijstelling bij verkrijging weiland door handelaar in onroerende zaken

Belanghebbende, een handelaar in onroerende zaken en veehandelaar, verkreeg een perceel weiland te R en verkocht dit direct door aan een derde. Bij de verkrijging door belanghebbende werd geen overdrachtsbelasting betaald, met een beroep op de landbouwstructuurvrijstelling uit artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2001). De Belastingdienst legde echter een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslag, maar dit werd door de Inspecteur gehandhaafd. Vervolgens verklaarde het Hof het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat vaststond dat belanghebbende geen bedoeling had de landbouwstructuur te verbeteren, maar winst nastreefde als handelaar in onroerende zaken.

In cassatie stelde belanghebbende dat de vrijstelling ook van toepassing zou moeten zijn als de doorverkoop leidt tot een duurzame verbetering van de landbouwstructuur voor de uiteindelijke verkrijger. De Hoge Raad verwierp dit betoog en oordeelde dat de vrijstelling terecht niet werd toegepast omdat bij de verkrijging door belanghebbende geen verbetering van de landbouwstructuur voorop stond.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de landbouwstructuurvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging door belanghebbende.

Uitspraak

Nr. 42.104
8 juni 2007
Za
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 25 maart 2005, nr. BK 657/03, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een perceel weiland gelegen aan de a-straat te R een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van in totaal € 6639, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is veehandelaar en tevens handelaar in onroerende zaken. Op of omstreeks 30 maart 2001 heeft hij een perceel weiland, gelegen te R, in eigendom verkregen. Belanghebbende heeft hiervoor een koopsom van ƒ 197.412,50 betaald.
3.1.2. In de notariële akte is, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 1993, nr. 29 182, BNB 1993/277, een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet, tekst 2001). Ter zake van deze verkrijging is geen overdrachtsbelasting op aangifte gedaan.
3.1.3. Tezelfdertijd heeft belanghebbende het perceel weiland geleverd aan een derde, zulks voor een koopsom van ƒ 243.862,50. In de notariële akte van levering is een beroep gedaan op de vrijstelling. Ter zake van deze verkrijging is geen overdrachtsbelasting op aangifte gedaan.
3.1.4. Ter zake van de verkrijging door belanghebbende is overdrachtsbelasting nageheven.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van die verkrijging recht heeft op toepassing van de vrijstelling.
3.3. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Tegen dat oordeel richten zich de klachten van belanghebbende.
3.4. Het Hof heeft vastgesteld dat bij belanghebbende als handelaar in onroerende zaken het maken van winst voorop staat en dat hij niet de bedoeling heeft gehad de landbouwstructuur te verbeteren. Die vaststelling is in cassatie niet bestreden. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de vrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging door belanghebbende.
3.5. Belanghebbende betoogt onder verwijzing naar het hiervoor in 3.1.2 vermelde arrest dat de vrijstelling van toepassing is in geval grond wordt aangekocht met de bedoeling deze door te verkopen en de doorverkoop leidt tot een duurzame verbetering van de landbouwstructuur voor wat betreft de onderneming van de uiteindelijke verkrijger. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard.
Weliswaar is in zijn algemeenheid onjuist dat voor de toepassing van de vrijstelling elke verkrijging op zichzelf moet worden beschouwd en kan de vrijstelling ook toepassing vinden indien bij een verkrijging de bedoeling tot verbetering van de landbouwstructuur voorzit en alsdan redelijkerwijs aannemelijk is dat zij zal kunnen worden verwezenlijkt; waar evenwel vaststaat, gelijk hiervoor onder 3.4 is overwogen, dat bij de verkrijging door belanghebbende de bedoeling tot verbetering van de landbouwstructuur niet voorzat, is op die verkrijging de vrijstelling terecht buiten toepassing gelaten.
De omstandigheid dat bij een rechtstreekse overdracht van de oorspronkelijke verkoper aan de uiteindelijke koper de vrijstelling wel van toepassing zou zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel, nu dat geval zich niet heeft voorgedaan.
3.6. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2007.