ECLI:NL:HR:2007:BA7181

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41327
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 1 AWRArt. 16 lid 2 letter c AWRArtikel VI onderdeel B Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001Artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting en toepasselijkheid overgangsrecht AWR

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd inzake inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen overgangsregeling bestond voor navordering na 1 januari 2001 op grond van de oude Wet op de inkomstenbelasting 1964.

In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat geen overgangsrecht van toepassing was. De Hoge Raad oordeelde dat artikel VI, onderdeel B van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zoals die op 31 december 2000 luidden, blijven gelden voor belasting verschuldigd ingevolge de oude Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Dit betekent dat navordering kan plaatsvinden op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR (tekst tot 31 december 2000) zonder dat een nieuw feit vereist is. Omdat het Hof ook oordeelde dat aan de vereisten van artikel 16 AWR Pro was voldaan, leidt dit niet tot cassatie. De overige klachten werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Leeuwarden bevestigd.

Uitspraak

Nr. 41.327
15 juni 2007
HdJ
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 oktober 2004, nr. BK 243/03, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Nu dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve
3.1. Het Hof heeft in verband met het vervallen van artikel 16, lid 2, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) per 1 januari 2001 geoordeeld dat door de wetgever niet is voorzien in een overgangsregeling voor gevallen waarbij inkomstenbelasting die is verschuldigd ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt nagevorderd na 1 januari 2001. Dit oordeel is onjuist. Het toepasselijke overgangsrecht is opgenomen in artikel VI, onderdeel B van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, Stb. 2000, 216, dat als volgt luidt:
"De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zoals deze wetten luidden op 31 december 2000 blijven van toepassing op de belasting die is verschuldigd ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 of de Wet op de vermogensbelasting 1964."
3.2. Deze bepaling leidt ertoe dat in het onderhavige geval navordering kan plaatsvinden op grond van artikel 16, lid 2, letter c, AWR (tekst tot 31 december 2000), derhalve zonder dat sprake is van een 'nieuw feit' als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Nu het Hof tot het oordeel komt dat hoe dan ook is voldaan aan de vereisten van artikel 16 AWR Pro, leidt het voorgaande niet tot cassatie.
3.3. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2007.