ECLI:NL:HR:2007:BA7554
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij plaatsing in inrichting voor jeugdigen
De verdachte, in voorlopige hechtenis, stelde op 3 januari 2006 beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad deed uitspraak nadat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd overschreden.
Het Hof had de verdachte een maatregel opgelegd tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) vanwege ernstige feiten waaronder zware mishandeling en diefstal met braak. Omdat het Hof geen straf had opgelegd maar een maatregel van onbepaalde duur, is strafvermindering wegens termijnoverschrijding niet mogelijk.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en stelde vast dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts kon worden geconstateerd zonder gevolgen voor de opgelegde maatregel. Er waren geen gronden voor vernietiging van het arrest van het Hof.
De uitspraak benadrukt dat bij PIJ-maatregelen de duur niet vooraf is vastgesteld, waardoor de redelijke termijn niet leidt tot strafvermindering, in tegenstelling tot gevangenisstraffen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 18 september 2007.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, maar wijst strafvermindering af vanwege de aard van de PIJ-maatregel.