ECLI:NL:HR:2007:BA7897
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen arrest wegens geen opgelegde straf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd strafbaar verklaard voor een overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde echter geen straf of maatregel op, maar bepaalde wel de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde geldboete van €300,-.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van artikel 427 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel sluit cassatieberoep uit indien geen straf of maatregel is opgelegd of indien alleen een geldboete tot maximaal €250,- is opgelegd, tenzij het arrest betrekking heeft op een overtreding van een verordening van een openbaar lichaam.
Omdat het hof geen straf oplegde en de opgelegde geldboete hoger was dan €250,-, maar de tenuitvoerlegging daarvan slechts voorwaardelijk was, oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was. De uitspraak van het hof over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboete bleef buiten beschouwing bij de ontvankelijkheidsbeoordeling.
De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep en verwierp het beroep. Het arrest werd gewezen op 6 november 2007 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een opgelegde straf.